Ga naar de inhoud

Alberic Pulinckx en Yvonne Vande Capelle

Gistelsteenweg 97 Varsenare

Alberic Pulinckx, geboren in 1890 in Wachtebeke, was oorlogsvrijwilliger 1914-1918 en werd meermaals gedecoreerd voor zijn stoutmoedige acties tijdens die oorlog. In 1942 was hij gepensioneerd en betrok de villa ‘Vijverzicht’ in Varsenare. Hij werd door Michel Van Poucke, één van de leiders van het Geheim Leger in de sector Oostende-Brugge, aangeworven bij het Geheim Leger. Pulinckx werd chef van de zogenaamde ‘groep Varsenare’, een onderdeel van de ‘Stoottroep Luitenant Jerome’, die heel wat sabotageacties uitvoerde. In juli 1944 werd de groep verraden en de meeste leden opgepakt. Alberic Pulinckx en zijn vriendin Yvonne Vande Capelle werden allebei gearresteerd in hun huis en gedeporteerd naar de Duitse concentratiekampen. Alberic Pulinckx stierf eind 1944 in het concentratiekamp Neuengamme, Yvonne Vande Capelle overleefde de kampen.

Een ervaren militair treedt toe tot het verzet
Alberic Pulinckx

Alberic Pulinckx werd geboren in Wachtebeke op 15 april 1890. Hij was de zoon van Louis Victor Pulinckx en Marie Charlotte Eeman. Hij trouwde op 11 januari 1913 te Gent met Germaine Van Peene. Alberic Pulinckx was oorlogsvrijwilliger 14-18. Hij was lid van het 4e Linieregiment en verdiende acht frontstrepen. Hij was ‘patrouilleur’, een elitesoldaat die gevaarlijke opdrachten uitvoerde: zo zou hij met handgranaten een patrouilleboot van de Duitsers op de IJzer tot zinken gebracht hebben en op zijn eentje een Duits mitrailleursnest uitgeschakeld hebben. Na de Eerste Wereldoorlog bleef hij in militaire dienst in Brugge. In 1935 werd hij bevorderd tot adjudant en vroeg hij zijn vervroegd pensioen aan.


In januari 1942 nam hij zijn intrek in ‘Villa Vijverzicht’ in Varsenare. De villa was gebouwd tweede helft jaren ’30, aan de oever van een vijver. Pulinckx leefde op dat ogenblik feitelijk gescheiden van zijn echtgenote Germaine Van Peene en woonde samen met Yvonne Vande Cappelle, met wie hij een zoon had, die ook Alberic heette maar de familienaam van zijn moeder droeg. Yvonne Vande Capelle werd geboren in Brugge op 7 december 1902 en was kleermaakster van beroep.

In de loop van 1942 of begin 1943 werd Alberic Pulinckx lid van het verzet, op vraag van Michel Van Poucke. Van Poucke werd geboren in 1900 en was leraar aan de Rijksmiddelbare School in Brugge. Hij woonde in villa Reigersvliet, in de Bloemenstraat in Assebroek. Hij was ook reserve-luitenant en nam deel aan de achttiendaagse veldtocht in 1940. In de eerste jaren van de oorlog had hij contacten met het Onafhankelijkheidsfront, maar hij werd actief in het ‘Belgisch Legioen’, één van de groepen waar later het ‘Geheim Leger’ zou uit groeien. Van Poucke was leider van de sector Brugge-Oostende, tot hij na de arrestatie van Alberic Pulinckx moest onderduiken.

Ook Yvonne werkte mee aan de verzetsactiviteiten waarvan hun villa een belangrijke plaats van samenkomst was. Hun zoon Alberic Vande Cappelle getuigde later op zijn 80ste: “Als kind van 9 jaar liep ik daar gewoon rond. Er waren daar vaak veel mensen, ik kende ze wel van zien en van voornaam maar dat ben ik nu allemaal wel vergeten. Er waren besprekingen en vergaderingen van het verzet in de villa. Men luisterde naar de BBC. Ik liep rond en ik hoorde het maar ik begreep het niet allemaal. Wij hadden een hele grote radio, een radiomeubel, dat hebben we ingediend omdat het moest van de Duitsers. Hij was gestockeerd naast de cinema het Zwart Huis, een opslagplaats waar men al die radio’s opborg. Mijn vader is op één of andere manier aan een klein radiootje gekomen. Ik weet niet hoe. Ze stopten dat weg en ’s avonds zaten ze te luisteren naar Radio Londen waarop berichten werden uitgezonden voor een hele hoop verzetsgroepen maar ook voor de groep waar mijn vader bij behoorde. Ze kregen ook opdrachten, ze moesten de telefoonlijnen doorsnijden en andere kleine verzetsdaden.“

Het Geheim Leger

Het Geheim Leger ontstond uit heel wat verschillende lokale verzetskernen die zich geleidelijk aan verenigden in een groter geheel. Ze zochten en vonden contact met de Belgische regering in Londen en opereerden vanaf voorjaar 1944 onder de naam ‘Geheim Leger’ of ‘Armée Secrète’. De opdracht van het Geheim Leger bestond voor de geallieerde landing uit het zich voorbereiden op die landing: inlichtingen verzamelen, mannen trainen, wapens verzamelen, sabotage plegen. Kort voor de landing in Normandië op 6 juni 1944 kreeg het Geheim Leger de opdracht actiever te worden: het treinverkeer verstoren, bruggen vernielen, troepentransporten bemoeilijken, telefoonlijnen doorknippen. Kortom, op allerlei manieren de bewegingen van de Duitsers hinderen en de opmars van de Geallieerde troepen vergemakkelijken. Begin september begonnen de kernen van het Geheim Leger bovengronds als militaire eenheden onder gezamenlijk commando te opereren. Ze namen her en der Duitse soldaten gevangen, ondernamen guerilla-acties, pleegden sabotage tegen de Duitsers en probeerden ook installaties die voor de opmars van de geallieerden of voor de naoorlogse heropbouw essentieel waren van vernieling door de Duitsers te vrijwaren: zo werden bijvoorbeeld een aantal bruggen, maar ook de telegraafcentrale van Brugge of de binnenhaven van Brugge van vernieling gered. Na de bevrijding hielp het Geheim Leger de geallieerden met gids- en verkenningsopdrachten of met het bewaken van krijgsgevangenen. Een aantal verzetsgroepen, bijvoorbeeld de ‘Stoottroep Luitenant Jerome’ van het Geheim Leger of een groep van het Leger der Partizanen onder leiding van Henri Demeyer, werd opgenomen in het Belgisch Leger of nam onder geallieerd bevel deel aan de gevechten rond de Westerschelde of in Duitsland, tot aan het einde van de oorlog.

De ‘Stootgroep luitenant Jerome’: specialisten voor gevaarlijk werk

In het voorjaar 1943 werd in het Belgisch Legioen Brugge een gespecialiseerde groep opgericht die zich moest bezighouden met ‘harde’ sabotage en andere gevaarlijke opdrachten. De groep stond onder bevel van Willy Bruynseraede, alias ‘Luitenant Jerome’. Bruynseraede werd geboren in Brugge in 1912, was beroepsmilitair en raakte zwaargewond in de achttiendaagse veldtocht. Na zijn herstel en krijgsgevangenschap keerde hij naar Brugge terug. Al vanaf het voorjaar van 1941 was hij actief in inlichtingendiensten en hij nam de leiding van de stootgroep op zich. De groep bestond aan de vooravond van de bevrijding, begin september 1944, uit 94 leden, verdeeld in vier deelgroepen. De groepen hadden uit veiligheidsoverwegingen geen contact met elkaar. De ‘Ploeg Oostkamp’ stond in voor acties in het gebied langs de spoorlijn en de weg Brugge-Kortrijk, de ‘Ploeg Assebroek’ voor die in de streek tussen Brugge en Eeklo, de ‘Ploeg Beernem’ voor de as langs de spoorlijn Brugge-Aalter en de ‘Ploeg Varsenare’ voor de lijn Brugge-Oostende. Soms werden mannen uit één of meerdere groepen voor specifieke opdrachten ook buiten hun gebied ingezet.

Sabotage was geen eenvoudige klus. Vele verzetslui deden aan ‘zachte’ sabotage, zoals het bewust traag werken, uitlokken van werkonderbrekingen of het onzorgvuldig afwerken van opdrachten voor het Duitse leger, maar voor de ‘harde’ sabotage had je kennis, moed en gespecialiseerd materiaal nodig. Het was gevaarlijk en arbeidsintensief. Binnen het Geheim Leger was er ook een zogenaamde ‘Groep Morlion’, waarvoor gerekruteerd werd onder spoorwegmannen en die zich specifiek met sabotage bij het spoor bezighield. Andere ‘harde’ sabotage, onder meer van bovengrondse of ondergrondse leidingen (telegraaf, telefoon, elektriciteit) waren het terrein van de stootgroep Luitenant Jerome.

In de nacht van 9 op 10 juni 1944, bijvoorbeeld, knipte de ploeg Oostkamp een telefoonlijn door langs de spoorlijn Brugge-Kortrijk, vijf kilometer van het Brugse station. Eén man beklom de telefoonpaal, vijf anderen hielden bewapend met stenguns of pistolen in een cirkel van honderd meter de wacht. De man in de paal knipte niet alle draden door, omdat de paal anders kon omvallen. Het doorknippen van een telegraaflijn veroorzaakte een ver-dragend geluid en alarmeerde meteen de Duitse telegraafdiensten. Bovendien kon zo’n lijn snel hersteld worden, zodat de sabotage opnieuw moest uitgevoerd worden.

Of in de nacht van 13 op 14 juni 1944 vernielde een andere ploeg een ondergrondse telefoonkabel in Sijsele. De kabel was een stalen draad van zes centimeter dik, gehuld in een loden omhulsel met daarrond nog eens in pek gedrenkte touwen. De kabel lag 1,2 meter diep, twee meter naast de weg Brugge-Maldegem. Het saboteren van de kabel was een werk van verschillende uren en werd vaak onderbroken door de passage van Duitse patrouilles. Eén man zaagde, een andere scheen met een zaklamp, nog anderen stonden in een kring rond de mannen in de put op wacht. Dezelfde kabel werd nog eens gesaboteerd in de nacht van 6 op 7 juli 1944. Toen werd er een stuk van 12 centimeter uit de kabel gekapt om het herstel moeilijker te maken.

De ‘Groep Varsenare’ of de ‘Groep Pulinckx’

Er zijn na de oorlog geen actieverslagen opgesteld door de groep Varsenare. Dat is anders dan bij de andere groepen, omdat de meeste leden van de groep Varsenare de oorlog niet overleefd hebben. Het is dus minder gekend wat de groep precies deed. Maar uit het weinige dat wel bekend is, blijkt dat de groep zeer actief was. In het naoorlogse erkenningsdossier van Alberic Pulinckx wordt dat omschreven als “talrijke sabotagen” en Pulinckx “maakte van zijn eigen woning een echte maquis”. Pulinckx stond erom bekend “steeds bereid te zijn alle gevaarlijke karweitjes op te knappen”. Jan Formesyn uit Koekelare, één van de leden van de groep die terugkeerde uit de concentratiekampen, zei: “Eén of tweemaal in de week hadden wij vergadering van de groep oversten van het verzet, waar wij dan een uiteenzetting kregen over de toestand en nieuwe orders kregen”.

Naast de sabotage-acties zoals het doorknippen van kabels, het strooien van kraaienpoten op wegen of het verstoren van de waterbevoorrading van het station van Brugge, was de groep ook mede-verantwoordelijk voor een parachutageplaats. Het terrein lag ten noorden van het Bulskampveld, nabij de herberg De Bolzak. Alberic Pulinckx leidde enkele van zijn mannen op om de droppingsplaats in te richten en de gedropte containers en kisten te vervoeren en verbergen. Ferdinand De Lil uit Zedelgem had het nodige materiaal in huis: lampen en gekleurd papier. Uiteindelijk zou de RAF de droppingsplaats nooit gebruiken, omdat de risico’s in de dichtbevolkte streek te groot waren. Droppings werden liever uitgevoerd op meer afgelegen plaatsen, in Zuid-Oost-Vlaanderen, de Kempen of de Ardennen.

De groep was ook betrokken bij het transport en de opslag van wapens, onder meer een partij van twintig stenguns die in Velzeke gedropt waren. De wapens werden onder meer bij Pulinckx en De Lil gestockeerd, in afwachting van verplaatsing naar een veilige plek in Beernem.

De groep maakte zich ook nuttig met het inwinnen van inlichtingen, het verzamelen van wapens, het opleiden van manschappen om die wapens te gebruiken en het verbergen van werkweigeraars en onderduikers. De groep hielp ook enkele bemanningsleden van een Amerikaanse bommenwerper die op 1 juli 1944 een noodlanding maakte tussen Aartrijke en Eernegem. Van de acht bemanningsleden werden er drie snel gearresteerd door de Duitsers, de anderen konden onderduiken. Twee van hen, luitenant en bommenrichter Jack White, en schutter James Laws, werden door

Ferdinand De Lil op 4 juli naar de woning van Alberic Pulinckx gebracht en enkele dagen later ondergebracht in Ruddervoorde.

Het Geheim Leger onthield zich in onze streken van aanslagen op Duitsers of collaborateurs, om geen represailles van de Duitsers tegen de burgerbevolking uit te lokken.

De inval van 12-13 juli 1994: verraden door de buren?

In de nacht van 12 op 13 juli 1944 deed de GFP (de Geheime Feldpolizei, een afdeling van de Duitse Wehrmacht die instond voor contraspionage en de bestrijding van partizanen en verzetsgroepen) een inval in villa Vijverzicht. De hele groep aanwezigen, onder wie Alberic Pulinckx en Yvonne Vande Capelle werden opgepakt. De GFP bleef het huis nog dagenlang bezetten: ze zetten een zogenaamde “muizenval” op en arresteerden iedereen die langskwam. In documenten van de GFP staat te lezen dat er zeventien arrestaties verricht werden en dat er zeven wapens (de stens van de dropping in Velzeke) gevonden werden, samen met munitie en armbanden met daarop “Armée Belge”.

Iemand van de arrestanten zou ook de woonplaats van de grote chef van de sector, Villa Reigersvliet van Michel Van Poucke, verklapt hebben. Toen de Duitsers ook daar een inval deden, kon Michel Van Poucke nipt ontsnappen en onderduiken tot aan de bevrijding.

Er worden meerdere verhalen verteld over de manier waarop de GFP de groep op het spoor zou zijn gekomen. Volgens een dochter van Edgard Sabbe zou er te veel beweging van mensen geweest zijn in en rond de villa Pulinckx. Te veel mensen zouden ook van de verzetsactiviteiten geweten hebben. Ook de gewoonte om elke avond om zeven uur samen te komen en naar de BBC te luisteren, kan als onvoorzichtig beschouwd worden. In nog een andere versie zou de dochter van één van de leden contact gehad hebben met Duitse soldaten.

De belangrijkste reden zal hoogstwaarschijnlijk het verraad zijn door de buren van Villa Vijverhof, het echtpaar Georges Dejans en Yvonne Mermuys, bewoners van de Villa Berkenhof. Georges Dejans was een kleine fabrikant van fietsbanden en zou actief geweest zijn in het Onafhankelijkheidsfront. De buren kenden elkaar goed en waren op de hoogte van elkaars verzetsactiviteiten. Naar aanleiding van de diefstal van een aantal autobanden werden Georges Dejans en zijn zoon eind juni 1944 opgepakt door de Duitsers. De Duitsers slaagden erin om Dejans en zijn vrouw te overtuigen om mee te werken met de belofte om haar man en zoon vrij te laten. Wellicht is er foltering gebruikt, of op zijn minst de dreiging van foltering. Het lot van vader en zoon Dejans was alleszins precair en reden tot paniek bij echtgenote en moeder Yvonne Mermuys. Dejans en Mermuys zouden de Duitsers verteld hebben over de activiteiten in Villa Vijverhof en de bergplaats van de wapens, het kippenhok in de tuin van Pulinckx, verklapt hebben. Yvonne Mermuys stemde zelfs toe om nog andere verzetslui in de val te lokken, in ruil voor de vrijlating van haar man en zoon. Ze sprak verzetsman André Allaert uit Oostkamp aan en vroeg hem om op 12 augustus 1944 naar de Eiermarkt in Brugge te komen om een onderduiker te helpen. Toen Allaert inderdaad verscheen, waarschuwde Yvonne Mermuys de Duitsers en werd Allaert aangehouden. De Duitsers doorzochten zijn boerderij en arresteerden daar “een jongeman”, wellicht de zestienjarige Maurice Allaert, een neef van André Allaert, en wellicht ook onderduiker René Roets.

Van een vrijlating kwam niets in huis. Georges Dejans werd samen met de mannen die hij en zijn vrouw hadden verklikt, afgevoerd naar het concentratiekamp Neuengamme, waar hij op 13 januari 1945 stierf. Georges Dejans werd na de oorlog vanwege zijn rol in het verraad van de groep Varsenare niet erkend als weerstander. Yvonne Mermuys werd op 28 mei 1948 veroordeeld tot levenslange dwangarbeid voor de verklikking van onder meer André Allaert en René Roets. Drie mannen die door toedoen van Yvonne Mermuys zijn gearresteerd, overleefden de oorlog niet. Er werd tegen haar ook een proces gevoerd wegens de verklikking van de groep Pulinckx, maar dat vonnis werd uiteindelijk in cassatie vernietigd. We kunnen haar dus niet omschrijven als schuldig aan de verklikking van de groep Pulinckx. Na haar vervroegde vrijlating verhuisde ze naar Wallonië. Over het lot van de zoon van het gezin Dejans is ons niet bekend.

Ooit getuigde Alberic junior, de zoon van Alberic Pulinckx en Yvonne Vande Capelle, over wat hij zag als kind. Hij maakte als negenjarige de inval mee. Hij lag op het moment van de inval te slapen, en werd wakker van het lawaai. “Ik stond op de trap in de hall, de deur van de eetplaats stond open, er brandde licht. Mijn vader zat op een stoel met zijn gezicht naar de hall gericht, ik keek van op de trap en ik zag hem zitten en ik zag dat zijn gezicht bebloed was. Dat is het laatste wat ik van mijn vader gezien heb. Dan hebben ze iedereen meegenomen, ook mijn moeder, iedereen, behalve mij. Ik ben daar twee dagen alleen in die villa gebleven, ik heb gegeten van wat ik vond, een stuk brood, een koekje, wat er was. Ik wist wel dat ik familie had maar ik wist niet waar ze woonden. Mijn oom is mij komen ophalen met zijn fiets.”

Het feit dat de zoon twee dagen alleen in het pand achterbleef is in tegenspraak met het feit dat de GFP het pand nog dagenlang bezette en elke bezoeker mee oppakte die zich de dagen nadien aanmeldde in de villa. Op basis van de beschikbare bronnen kunnen we dit niet definitief uitklaren.

Gevangenschap, deportatie en concentratiekampen

Ook Yvonne Vande Capelle werd volgens de officiële documenten pas een dag later aangehouden, namelijk op 14 juli. Waarschijnlijk werd ze ook gearresteerd dezelfde nacht en pas een dag later dan Alberic geregistreerd. Dat is nu moeilijk te achterhalen.

Jan Formesyn, één van de mede gearresteerden die dag schrijft  “op vrijdag 14 juli 1944 worden Jan, Louis Mariën, Alberic Pulinckx, Yvonne Vande Capelle en en andere in de villa aanwezigen overgebracht naar de gevangenis van Brugge.” 

Feit is wel dat beiden in ‘t Pandreitje, de gevangenis van Brugge, terechtkwamen op 14 juli 1944. Yvonne was eveneens actief binnen het geheim leger en geeft aan dat ze ondervraagd werd hierover tijdens haar gevangenschap in Brugge. Beiden werden op 1 september naar Gent gebracht vanwaar ze uiteindelijk op de deportatietrein naar Duitsland gezet werden die op 2 of 3 september vertrok uit Gent. In het werk over Jan Formesyn lezen we verder: “Op vrijdag 1 september worden volgens Jan in totaal 196 mannen en vrouwen, waaronder Jan zelf, Achiel, Willy Decru, Alberic Pulinckx en de broers Formesyn, overgebracht naar de gevangenis van Gent.” “Op zondag 3 september 1944 worden de gevangenen per trein in beestenwagons naar Duitsland gebracht. De trein volgt het traject Gent-Leopoldsburg-Bochum-Neuengamme.”

Louis Goderis, een gearresteerde verzetsman uit Nieuwpoort, zat op hetzelfde transport en beschrijft deze als volgt (geparafrasserd): “Op 1 september werden alle politieke gevangenen uit de gevangenis van Brugge in vrachtwagens geduwd en werden we naar het station overgebracht waar we in   goederenwagens werden geplaatst en onder bewaking van drie cipiers met mitraillette. Er lagen steeds twee van onze kameraden geboeid tussen ons in als een soort gijzelaars om mogelijke opstootjes af te raden en we werden naar de gevangenis van Gent gebracht. Daar verbleven we een dag en een nacht. In de nacht werden wij nogmaals naar het station gebracht en opnieuw in goederenwagons geladen en de trein vertrok snel maar na een viertal uren gebold te hebben, stonden we terug in Gent maar in een ander station. De verdere reis door België heeft dan nog twee dagen en twee nachten geduurd. In de omgeving van Leuven werden we door vier Engelse jachtvliegtuigen aangevallen doch de piloten hebben tijdig gemerkt dat het gevangenen waren en dan hebben ze heel eenvoudig de locomotief aangevallen. Echter slechts een uur later was de trein reeds voorzien van een nieuwe locomotief en kon de reis verder gezet worden. In die nacht daaropvolgend hebben we in de buurt van Kwaadmechelen vier uur halt gehouden, nogmaals dankzij de Witte Brigade, maar het noodlot was ermee gemoeid en wij geraakten maar niet bevrijd. De reis werd verdergezet richting Leopoldsburg, Hasselt, Maastricht en zo reden we Nederland binnen. Daar heeft het nogmaals niet veel gescheeld ‘zo niet stonden de sporen in de hoogte’. Maar de Duitsers konden tijdig de tijdbommen die achter de sporen lagen verwijderen en de twee Nederlanders die ze daar gelegd werden ter plekke gefusilleerd en als honden in de sloot geworpen. De reis ging dus verder door Nederland naar Duitsland waar wij aankwamen in het Stalag Bocholt, een krijgsgevangenkamp. Die krijgsgevangenen hebben ons op allerlei wijzen geholpen door ons eten en rookwaren te verschaffen die uit hun persoonlijke Rode Kruis pakketten kwamen. Na een vijftal dagen in Bocholt werden wij overgebracht en dan als slaven uitgeleverd in het SS kamp van Neuengamme”

Uit het relaas blijkt dat onderweg heel wat obstakels aanwezig waren en pogingen om de trein te stoppen, zonder succes weliswaar.

Rachel Beheyt, Uit Passendale die vriendinnen werd met Yvonne Vande Capelle beschrijft het vanuit de groep vrouwen die mee hetzelfde traject aflegden tot Bocholt. “Toen wij op een september naar Gent overgebracht werden, gaven ze ons eten en drank mede. Wij zullen hen steeds dankbaar blijven. Te Gent verbleven we slechts drie dagen. De Partizanen wilden ons bevrijden maar moesten na een hevig gevecht de strijd staken bij gebrek aan munitie. Onze hoop op verlossing was voorbij. Wij werden door vrouwen sterk bewaakt. In ’t midden van de nacht van drie september werden wij door briesende mannen, Duitsers en Gestapo‘s, uit onze cellen gesleurd, op vrachtwagens geladen, meer erop gegooid dan erop gestapt, en naar het station van Gent gevoerd, waar wij in beestenwagens naar Duitsland vervoerd werden. Gedurende acht dagen hebben wij in die wagons verbleven. Nu eens vooruit dan weer achteruit. Onderweg werden wij regelmatig onder vuur genomen door de vliegers. Bommen ontploften links en rechts van de trein. Eens werd de locomotief getroffen. We waren verplicht de wagons te verlaten en het bos in te vluchten. Zodra de laagvliegende vliegers bemerkten dat ze met opgeëisten te doen hadden, staakten zij het vuren. Eindelijk landden we te Bocholt aan. We waren hier nog allen samen. We verbleven er twee dagen. Nu werden de achtendertig vrouwen afgezonderd met Ravensbrück als bestemming, terwijl de 145 mannen naar Neuengamme werden doorgestuurd.”

Zoon Alberic vertelt het volgende:  “Mijn moeder heeft me verteld dat ze in Gent in de verte mijn vader gezien heeft, ze hebben nog gezwaaid maar ze werden in verschillende treinen gestopt. Dat is de laatste keer dat ze mijn vader gezien heeft. Ze is dan getransporteerd naar Ravensbrück en mijn vader naar Neuengamme. Er zijn er twee of drie ontsnapt uit die trein, moeder heeft dat altijd verteld.”

De data’s in de getuigenissen zijn minder precies, tussen het vertrek uit Gent in de nacht van 2 op 3 september, de aankomst in het krijgsgevangenkamp Bocholt. Hoewel de mannen en vrouwen al vanaf de start van hun gevangenschap volledig apart zaten, legden ze tot hier hetzelfde traject af. Wat wel zeer zeker is, is dat de mannen en de vrouwen vanaf daar een afzonderlijk traject afleggen. De mannen arriveerden in Neuengamme op 10 september 1944. De vrouwen arriveren dezelfde dag in Ravensbrück

Alberic Pulinckx in concentratiekamp Neuengamme

Vanaf 1938 tot 1945 bevond zich nabij Hamburg het hoofdkamp van het grootste concentratiekamp van Noord- Duitsland, het “Konzentrationslager (KZ) Neuengamme”. Met zijn 87 buitenkampen was het één van de meest dodelijke concentratiekampen uit de Tweede Wereldoorlog. Meer dan 100.000 mensen, van alle nationaliteiten, werden er gevangen gezet en zeker 42.900 ervan vonden hier de dood, dat is bijna 1 op 2… De gevangenen werden opgehangen, vergast en uitgedund door de uiterst slechte arbeidsomstandigheden en onmenselijke behandelingen. Er zaten ongeveer 3650 Belgen gevangen.

Alberic Pullinck komt in het hoofdkamp Neuengamme terecht en krijgt het kampnummer 49878. Over Alberic zijn gevangenschap in Neuengamme weten we niet veel. Hij bleef in het hoofdkamp en we weten uit de vele getuigenissen hoe zwaar het was in de werkposten van het hoofdkamp en dat het des te moeilijker was als je al wat ouder was. Alberic was toen 54 jaar. Soms kregen oudere gevangenen iets lichter werk dan de zeer zware commando’s in de kleiputten, maar of dat ook het geval was voor Alberic, weten we niet. Dat het voor hem zeer zwaar was, wordt duidelijk aangezien hij slechts twee maand later, op 14 november 1944 om 8u10, overlijdt hij in het hoofdkamp Neuengamme. Volgens de overlijdensakte aan “hartfalen” maar dat is niet betrouwbaar: alle overlijdens in de kampen werden vermomd als natuurlijke overlijdens.

Aangezien alle doden in het concentratiekamp Neuengamme op dat moment meteen gecremeerd werden in het gebouwde crematorium op de kampplaats, is er geen graf of lichaam meer van Alberic Pulinckx teruggevonden.

Yvonne Vande Capelle in concentratiekamp Ravensbrück

In 1939 richtte de SS het grootste vrouwenconcentratiekamp van het Duitse Rijk op in het Pruisische dorp Ravensbrück, vlakbij de voormalige kuuroordplaats Fürstenberg, op zo’n 85 km van Berlijn. In het voorjaar van 1939 werden de eerste vrouwelijke gevangenen naar Ravensbrück overgebracht. In april 1941 werd een mannenkamp toegevoegd, in juni 1942 werd het aangrenzende jeugdbeschermingskamp “Uckermark” voor meisjes en jonge vrouwen geopend.

Het vrouwenconcentratiekamp werd tot 1945 voortdurend uitgebreid. De SS liet steeds meer barakken bouwen om gevangenen te huisvesten en voegde in de herfst van 1944 een tent toe. Binnen de kampmuren werd een ‘industrieterrein’ aangelegd met productieplaatsen voor taken zoals naaien, weven en vlechten. Buiten de kampperimeter bouwde het bedrijf Siemens & Halske twintig werkplaatsen waar gevangenen vanaf de nazomer van 1942 gedwongen werden te werken. Naarmate de oorlog vorderde, werden er meer dan veertig satellietkampen in het Duitse Rijk opgericht, waar gevangenen uit Ravensbrück als dwangarbeiders werden ingezet.

Tussen 1939 en 1945 werden ongeveer 120.000 vrouwen en kinderen, 20.000 mannen en 1.200 adolescente meisjes als gevangenen geregistreerd. Degenen die naar Ravensbrück werden gedeporteerd, kwamen uit meer dan dertig landen, waaronder Joden, Sinti en Roma, maar ook heel wat politieke gevangenen en verzetsstrijders. Onder de gevangenen waren ook heel wat Belgen.

Tienduizenden gevangenen werden vermoord, stierven van honger, ziekte of als gevolg van medische experimenten. Vanaf 1941 diende Ravensbrück ook als executieplaats: talloze vrouwen (het exacte aantal is onbekend) werden geëxecuteerd door fusillade. Begin 1945 installeerde de SS een geïmproviseerde gaskamer in een barak naast het crematorium. Tussen eind januari en april 1945 werden daar ongeveer 5000 tot 6000 gevangenen vergast.

Kort voor het einde van de oorlog evacueerden het Internationale, Zweedse en Deense Rode Kruis ongeveer 7.500 gevangenen naar Zweden, Zwitserland en Frankrijk. Na een evacuatiebevel van Heinrich Himmler werden de ruim 20.000 overgebleven gevangenen in verschillende colonnes op dodenmars gestuurd naar het noordwesten. Op 30 april 1945 bevrijdde het Rode Leger het concentratiekamp Ravensbrück, waar ongeveer 2.000 zieke en verzwakte gevangenen waren achtergebleven.

Yvonne komt dus in dit beruchte concentratiekamp voor vrouwen terecht. Yvonne Vande Capelle krijgt het kampnummer 68304. Over Yvonne weten we iets meer, zij overleeft namelijk het concentratiekamp en beschrijft zelf in haar naoorlogs dossier haar verblijf. In haar dossier vinden we een kort verslag over haar verblijf in het kamp: “Om te beginnen uren en uren appel in sneeuw en regen. (Voor mij was het winter). Met slechte klompen aan en enkel een soort hemd en een kleedje aan. Eenmaal per dag een schep soep. En een achtste deel van een brood. Of in het kamp van Rechlin. Een 10de deel van een brood en zonder soep. Van ‘s morgens om 7 uur uitrukken om te gaan werken tot s avonds 6 uur altijd voorgeleid door een ss vrouw.”

Ze werkte in de “waldkolonne / houtafdeling”. Het werk was “gelijk de mannen, bomen uitkappen, met bijl en pioche(houweel), somtijds achttien kilometer marcheren, met oude vrouwen van vijfenzestig jaar, pioche op de schouder van vijftien kilo, met alleen maar een houten klompen aan de voeten of blootvoets in de kleigrond. (…) En dan terug in het kamp ’s avonds, geen plaats meer om te slapen, dan maar in gang gelegd met onze doornatte kleren vol slijk en modder. Op de grond slapen met als hoofdkussen onze soepschalen. (…) Somtijds van gans de week geen water, geen verlichting ‘s avonds, een uur in de rij voor ons stukje brood zonder te spreken.” (…) “Onze beulen, de blokoversten en stubediensten, allen meestal jarenlang gevangen Duitse vrouwen. Zwijnen waren het”.  

Ze verbleef de hele tijd van haar gevangenschap in het hoofdkamp, uitgezonderd in februari-maart 1945 werd ze achttien dagen ondergebracht in wat ze zelf noemt het “uithongeringskamp Rechlin” met 750 andere gevangenen. Daarna keert ze terug naar Ravensbrück. In Rechlin was het KZ Retzow, een buitenkamp van KZ Ravensbrück. De geschiedenis van het concentratiekamp Retzow is nauw verbonden met de geschiedenis van de luchtvaartindustrie in Mecklenburg: Rechlin werd de belangrijkste testfaciliteit van de Duitse Luftwaffe. Het precieze moment waarop Retzow als concentratiekamp werd gebruikt is omstreden. Het staat echter vast dat in de zomer van 1944 mannelijke gevangenen uit een subkamp van concentratiekamp Sachsenhausen, de vliegtuigfabriek Heinkel, naar Retzow werden overgebracht. Deze mannen werden zeer waarschijnlijk begin februari 1945 gedeporteerd naar Ellrich, een subkamp van Mittelbau-Dora. Kort daarna werden vrouwelijke gevangenen naar het lege kamp overgebracht. De meesten van hen hadden eerder in Auschwitz en Ravensbrück vastgezeten. De gevangenen werden gedwongen om dagelijks twaalf uur lang zware arbeid te verrichten. Honderden stierven aan uitputting en ondervoeding. Het regime was er zeer slecht.

Yvonne houdt het wel vol, ondanks de onmenselijke omstandigheden en wordt een paar dagen voor de bevrijding van Ravensbrück bevrijd door het Deense Rode Kruis op 24 april 1945 in het kader van de “witte bussen campagne”. Dit was een afspraak tussen het Zweedse en Deense Rode Kruis en Heinrich Himmler om groepen Scandinavische gevangenen in eerste plaats samen te brengen in Neuengamme en uiteindelijk ook te mogen overbrengen naar Zweden. Himmler liet dit oogluikend toe in de hoop een betere positie te hebben indien de oorlog verloren werd. De gevangenen werden opgehaald in witte bussen, vandaar de naam van de campagne. Maar ook sommige andere nationaliteiten werden vaak meegenomen op dat moment, waaronder een groep Belgische vrouwen in dat geval uit Ravenbrück. 

Waardoor Yvonne Vande Capelle één van hen was die in deze campagne iets vroeger bevrijd werd en zo belandde zij op 27 april in Malmö in Zweden. Ze kon er starten met haar herstel. Op 29 juni 1945 werd ze gerepatrieerd uit Zweden naar het vliegveld in Evere en op 30/6/1945 kon ze terug naar huis.

Na de oorlog kregen zowel Alberic Pulinckx en Yvonne Vande Capelle hun erkenning als politiek gevangene.

Het lot van de leden van de groep Pulinckx

Omwille van de veiligheid werden er tijdens de oorlog geen lijsten van leden van een verzetsgroep aangelegd. En omdat de leden die het beste overzicht hadden, zoals Alberic Pulinckx, de oorlog niet overleefden, is het niet eenvoudig om een volledige en helemaal juiste ledenlijst van de groep Pulinckx te maken. Het staat vast dat de groep vele contacten had in de regio, en dat die contacten op hun beurt weer in hun eigen gemeente actief waren in andere groepen. Het is dus ook niet helemaal duidelijk vanaf welk punt iemand al dan niet tot de groep behoort.
In het boek ‘Niet langer geheim’ worden deze mannen genoemd: Alberic Pulinckx, Edmond Vermeersch, Charles (Karel) Formesyn, Louis Formesyn, Raphael Van Huffel, Edgard Sabbe, Raymond Seynaeve, Robert Laroye, André Goetgebeur, Gustave Vanden Abeele, Oscar Vanbesien, Leon Morreau, Haeghebaert Leon, Paul Dewitte, Himpe Gerard.
In de publicatie over Ferdinand De Lil worden hijzelf en ook nog Jan Formesyn en Albert Vanhoutte vermeld. Misschien waren er nog anderen in de groep actief.
Pulinckx, Vermeersch, Charles en Louis Formesyn, Van Huffel, Sabbe, Seynaeve, Laroye, Goetgebeur en De Lil overleefden de concentratiekampen niet. De groep Pulinckx was de enige groep behorend bij het Geheim Leger in de Brugse regio die als groep helemaal is uitgeschakeld.

Tekst en onderzoek: Kristof van Mierop, Karl Duc.

bronnen:

Historiek.net, Witte Bussen, https://historiek.net/met-witte-bussen-naar-de-vrijheid-plan/77990/