Ga naar de inhoud

Albert Holm

Dampoortstraat 9, Sint Kruis

De Trein Fluit Getuigenissen over concentratiekampen

Albert Holm werd op 22 januari 1921 geboren in Oostende, als zoon van Gerard Holm en Marceline Bens. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog woonde het gezin in Brugge en was Albert een negentienjarige jongeman. Samen met enkele vrienden wilde hij zijn steentje bijdragen om de bezetter tegen te houden. Dat bleek echter allesbehalve eenvoudig, zoals blijkt uit het relaas dat hij later aan een journalist gaf (zie inzet, fragment uit De trein fluit. Getuigenissen uit concentratiekampen van Karl Vandenberghe, 1995).

Verzetsacties bij het Geheim Leger

Hoewel ze zich zeer goed bewust waren van de risico’s, waren hun eerste acties vooral provocerend van aard: “Met een jeugdig enthousiasme schilderden we V-tekens. Sommigen rukten affiches af of namen een bijl van een voertuig mee. Let wel, niet om die bijl te bezitten, maar om ervoor te zorgen dat dat materiaal daar verdween.”

Via een van de broers Michotte kwam Albert in contact met het Geheim Leger. Op 20 juli 1941 sloot hij zich aan bij deze verzetsbeweging. Hij had er de rang van soldaat en werd ingedeeld bij zone III van de sector Brugge-Oostende, groep Brugge. Zijn rechtstreekse overste was Georges Michotte. Albert zelf wierf Georges Paque uit de Beenhouwersstraat aan om toe te treden tot het Geheim Leger. Paque overleefde de oorlog echter niet: hij kwam in februari 1945 om het leven, vermoedelijk in de gaskamer van een concentratiekamp.

Albert en zijn vrienden verspreidden de sluikkrant Vrij. Daarnaast bestond hun verzetswerk uit spionage opdrachten voor het Geheim Leger. Zo noteerden ze op verzoek van een majoor alle nummerplaten van een bepaald type voertuig. Ook verzamelden ze inlichtingen over het vliegveld van Vivenkapelle en de daar aanwezige munitieopslagplaatsen, die ze doorspeelden aan Carlos De Groote uit de Hauwerstraat. Ook hij werd door de Duitse bezetter opgepakt en keerde nooit terug uit gevangenschap in Duitsland.

Arrestatie en deportatie naar de kampen

Op 3 september 1941 werd Albert thuis gearresteerd door drie geheim agenten van de Feldpolizei. “Eén van hen sprak vloeiend Nederlands. Ze hebben me opgepakt op een heel mooie dag en brachten me naar de gevangenis van Brugge,” vertelde hij later. Van daaruit werd hij overgebracht naar Sint-Gillis, waar twee dagen later een SS’er uit Antwerpen, Klaus Holm genaamd, hem kwam ondervragen. Die diende hem een rammeling toe en beet hem toe: “Hoe kun je tegen Duitsland zijn? Met zo’n naam!”

Op 24 maart 1942 werd Albert naar Duitsland gedeporteerd, via Keulen en Hamburg, naar de Polizeigefängnis van Fuhlsbüttel. Daar werd hij alleen opgesloten in een cel. Uiteindelijk vroeg hij om te mogen werken, wat hem werd toegestaan. Hij begon zakjes te plakken – voor Albert een manier om geestelijk te overleven. Dat hij altijd al over artistiek talent beschikte, blijkt uit de tekening die hij daar van zijn cel maakte. (De tekening hiernaast werd gemaakt in de gevangenis van Sint-Gillis, Brussel.)

Na Hamburg werd Albert overgebracht naar Wuppertal, waar hij door de rechtbank ter dood werd veroordeeld. Enkele dagen na deze veroordeling bombardeerde de Royal Air Force de gevangenis. De kapel deed er dienst als griffie, waardoor alle documenten werden vernietigd. De uitgesproken doodstraffen werden daardoor niet uitgevoerd.

Vanuit Wuppertal werd hij overgebracht naar Lüttringhausen en uiteindelijk belandde hij midden februari 1944 in Esterwegen. Eerst werd hij nog één nacht opgesloten in de gevangenis van Papenburg, waar hij werd gefolterd. Op 18 april 1944 ging het dan vanuit Esterwegen per trein naar Oraniënburg. Langs brede lanen marcheerden de gevangenen naar het kamp Sachsenhausen, waar de grote letters Arbeit macht frei hen aan het hek verwelkomden.

In Sachsenhausen moest Albert opnieuw dwangarbeid verrichten, hij kreeg het kampnummer B77686. Omdat hij als NN-gevangene (Nacht und Nebel) werd beschouwd, mocht hij het kamp niet ver verlaten. Hij werd ingezet bij een commando straatvegers, een opdracht waarop werd neergekeken. Albert zag dit anders: hij kwam langs alle barakken en kon zo informatie opvangen. Op 6 juni 1944 vernam hij op die manier dat de ontscheping in Normandië had plaatsgevonden. “Ils ont débarqué,” gaven Franse gevangenen die in de werkplaatsen voor communicatieapparatuur werkten door, via een vers van Verlaine. Het nieuws werd door de straatvegers overal verder verspreid.

Bevrijding en getuigenis

Toch duurde het nog tot 20 april voor Albert het kamp kon verlaten. De overgebleven gevangenen werden toen op dodenmars gestuurd. Het plan was hen tot in Noorwegen te brengen om daar V1- en V2-wapens te produceren, maar zover is het nooit gekomen. Op 3 mei 1945 werd Albert bevrijd in de buurt van Zapel/Kriwitz, op ongeveer 150 kilometer van Oraniënburg.

De schoenen waarmee Albert op 23 mei 1945 thuiskwam in de Dampoortstraat, heeft hij zijn hele leven bewaard. Ze stonden bij zijn uitvaart naast de kist. Hij had de uitdrukkelijke wens dat tijdens de uitvaartplechtigheid zijn herinneringen nog eenmaal zouden worden benoemd:

“Bij de aankomst in elk kamp schreeuwden in reuzeletters op de barakken geschilderd, overal dezelfde leuzen. We werden gevoed met leuzen en slagen.
In deze afgesloten wereld heerste een specifieke sfeer. Het stompte sommigen af, maakte lusteloos of zelfs apathisch. Ontberingen hebben we in deze wereld doorstaan. Men bezweek of men overleefde.
En toen… kwam de vernedering. Je werd naakt, de één na de ander gezet en toen moest je op een stoeltje staan om je van kop tot teen te laten kaal scheren.
En dan kwamen ze met een grote kwast gedrenkt in één of andere bruine specie waarmee ze je inwreven om de luizen eruit te krijgen. Daarna kreeg je een plunje; een streepjespak en moest je in quarantaine.

Het vertrek voor de zondagsarbeid werd begeleid door de kampfanfare, de afsluiting van deze dag bracht afwisselend  een terechtstelling of het toedienen van een lijfstraf. De galg stond steeds opgesteld op de appèlplaats. Stond er een bankje onder dan verwees dit naar de uitvoering van een doodsvonnis door verhanging: de pijnlijkste herinneringen van mijn hele leven als gedetineerde: het zijn beelden en geruchten die zich niet uit mijn geheugen laten wissen.

Maar diep in ons bleef de hoop leven en waren we overtuigd uit dit onuitsprekelijk leed en die troosteloze ellende te zullen ontkomen. Ondanks een schijnbare gelatenheid en misschien wel daardoor werden waar en wanneer het maar mogelijk was vele gesprekken gevoerd. Geen groter verdriet was er in die duistere tijden dan de herinnering aan ’t voorbije geluk.

Met een zekere onverstoorbaarheid lieten we de tijd verglijden: de uren, de dagen, de maanden, de jaren, zelfs de jaargetijden zagen we afwisselen, de transporten ondergingen we. Het verblijf in de kampen, dit verleden als slaaf is onwrikbaar aan ons verankerd, zowel in onze geest als in ons lichaam, nooit worden we ervan bevrijd, tot het einde van onze dagen zijn we veroordeeld dit te dragen als een brandmerk.

Er zijn diegenen die daar stierven, er zijn diegenen die uit de verschrikkingen zijn teruggekomen. Wij, de overlevenden blijven leven met de achtergebleven makkers. Hun uitgedoofde blik peilt steeds of ze niet vergeten worden. In onze herinneringen blijven ze echter jong en dapper!

Wij zijn tot levenslang veroordeeld. Dat zal ons bijblijven tot we geen herinnering meer hebben.”

In februari ‘46 is Albert getrouwd met Dolly Fonteyne, die hij voor WO II had leren kennen op school. Het koppel kreeg een zoon Paul-Emile en later nog een dochter Patricia. Ze hebben 3 jaar in Congo gewoond waar veel familieleden van Albert verbleven. Terug in België was Albert leerkracht plastische opvoeding en studiemeester aan het Koninklijk Atheneum in Brugge. Hij is gestorven in Brugge op 1 maart 2013.

Sachsenhousen kamp halg

Bronnen: