Ga naar de inhoud

Aloïs Seghers

Damse Vaart Zuid 17

Aloïs Seghers

Aloïs Seghers werd geboren op 6 april 1919, als zoon van bruggendraaier Pieter Seghers en Sylvie Baute. Hij was de oudste van een gezin van elf kinderen, een grote en struise jongeman. In de lente van 1943 kwam hij in contact met de Partizanen van Damme en Lissewege. Hij werd thuis gearresteerd op 17 maart 1944 en stierf van uitputting en honger in Zihle (Tsjechië), tijdens een transport van Buchenwald naar Theresienstadt (Terezin), op 24 april 1945.

De familie Seghers

Vader Pieter Seghers was schoenmaker en bruggendraaier, aan de brug van Damme. Moeder Sylvie Baute zette elf kinderen op de wereld, waarvan er negen de volwassen leeftijd bereikten. Het grote gezin woonde in een huis langs de vaart, net voorbij de brug. Vader Pieter was een bekende figuur in het dorp. Hun oudste zoon Aloïs was soldaat van de klas 1939. Op documenten wordt zijn beroep omschreven als ‘arbeider’ of ‘betonwerker’. Hij was de oudste van de kinderen, een grote en sterke jongeman. Hij was niet getrouwd en had geen kinderen.

Tewerkstelling bij aannemer Boi uit Lissewege

Uit nota’s van Jos Rondas, die deels gebaseerd lijken te zijn op stukken uit het naoorlogse strafdossier tegen aannemer Boi, blijkt dat Aloïs Seghers in 1943 en begin 1944 tewerkgesteld was bij aannemer Amedée Boi. Boi was vanaf 1936 lid van Rex en na de verplichte fusie van een aantal collaborerende bewegingen ook van de VNV-Eenheidsbeweging. Hij maakte zelfs de overstap naar de concurrerende DeVlag, de meest extremistische groep collaborateurs: DeVlag was ondubbelzinnig fascistisch en pleitte zonder meer voor een Anschluss van Vlaanderen bij het Duitse Rijk en onvoorwaardelijke trouw aan de Führer. Toen de zittende burgemeester van Lissewege, Adolf De Grande, in juli 1941 uit zijn ambt werd ontzet door de Duitsers, nam Boi zijn plaats als burgemeester in. Hij bleef dat tot Lissewege werd opgenomen in de fusiegemeente Brugge in oktober 1942. Tegelijk zette Boi zijn bouwonderneming verder, ten dienste van de Duitsers. Hij bouwde militaire versterkingen aan de kust en in het achterland, de zogenaamde Atlantikwall. Boi nam zelfs deel met een aantal gelijkgezinden en arbeiders uit Lissewege aan een urbanisatieproject in de buurt van Kaunas, Litouwen. Door de opmars van de Russen kwam het project nooit van de grond. Na de oorlog werd Boi veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf voor politieke en economische collaboratie. Na zes jaar gevangenschap werd hij vrijgelaten.

Aloïs Seghers wordt in de briefwisseling van Amedée Boi enkele malen genoemd als één van de mannen die niet kwamen opdagen op het werk en wellicht zelfs bij een andere firma, met de naam “Sudbau”, aan de slag zouden zijn. Aannemer Boi deed zijn beklag bij de Duitsers en vroeg hen “gepast in te grijpen” om zijn werklui terug te krijgen.

Het is niet duidelijk of Aloïs Seghers vrijwillig aan de slag was bij Boi of verplicht tewerkgesteld was. Wellicht is het verschil tussen beiden ook niet zo scherp, in tijden van schaarste en werkloosheid. Het is wel zeker dat hij meermaals ontbrak en wellicht niet happig was om bij aannemer Boi te werken. In het erkenningsdossier als PA-lid wordt ook gezegd dat “il détruit le matériel allemand destiné aux travaux allemands”.

Aansluiting bij de Partizanen

In het erkenningsdossier als weerstander wordt over Aloïs Seghers gezegd dat hij in april 1943 door dorpsgenoot Hilaire Van den Berghe wordt aangeworven als lid van de Partizanen. Volgens diezelfde documenten was hij actief in de streek van Damme en Lissewege en bestaan zijn activiteiten in het verzet uit “verspreiden van sluikbladen, vernietigen van Duitsch materiaal op de Duitsche werken, het doorknippen van telephone draden te Lissewege en te Damme.”

(uit het erkenningsdossier Gewapende Weerstander, ondertekende getuigenis door Henri De Meyer, commandant Partizanenkorps Brugge)

In de familie is niets bekend over de precieze activiteiten van Aloïs bij het verzet. De Partizanen in de streek van Damme, Lissewege, Zeebrugge, Brugge en Heist waren heel actief in een gevaarlijk soort verzet: sabotage op de werven en in de fabrieken, het saboteren van treinen door remkabels door te snijden of zand in de oliepotten te strooien, het laten ontsporen van treinen, het uitlokken van stakingen in de havenbedrijven, het doorknippen van telefoondraden, het vernielen van opgeëiste oogsten bij landbouwers en dergelijke meer. De Partizanen hadden nauwelijks wapens of grote middelen om hun sabotagewerk uit te voeren: ze stonden er alleen voor, met de middelen en de kennis die ze hadden.

De groep Partizanen van Damme zou uit 18 à 20 personen bestaan hebben en stond onder leiding van Hilaire Van den Berghe. De groep had contact met naburige groepen, vooral die in Lissewege, en stond onder commando van korpschef Henri De Meyer uit Brugge. De Partizanen hadden in de regio Brugge ongeveer 150 leden. In het werk van Sharon De Clercq lezen we over de Partizanen in Brugge: “De Brugse afdeling van het partizanenleger werd in april 1941 opgericht door Henri De Meyer en Lucien Vrielynck. Doordat ze vooral aan de kust veel leden wierven verplaatsten ze hun actieterrein naar de kust. Onder de leden zaten vooral dokwerkers en arbeiders. Deze groep deed vooral aan sabotage en het organiseren van stakingen in verscheidene fabrieken. Deze groep kreeg echter te maken met zware repressie.” (Medestichter Lucien Vrielynck werd al op 28 augustus 1942 opgepakt en op 9 december 1942 gefusilleerd, nvdr)“Henri De Meyer werd in november 1943 gearresteerd waardoor de leiding in handen kwam van zijn verloofde Simonne Danneels, alias Madame Paula. Maar ook zij moest na een tijdje onderduiken doordat de Duitsers haar in de gaten hielden. Zo kwam Albert Serreyn, die eerder de P.A. te Sint-Andries had geleid, nu aan de leiding. Maar ook hij werd niet gespaard en tijdens een hernieuwde golf van arrestaties werd hij samen met dertien anderen opgepakt. Door deze golf van arrestaties kwam er een einde aan de werking van de P.A. te Brugge.”
Na zijn bevrijding in september 1944 in Brussel, keerde Henri De Meyer terug naar Brugge, verzamelde hij wat overbleef van de Partizanen in de streek en nam hij met een vijftigtal van hen deel aan de gevechten rond de Westerschelde, in Engels uniform en onder geallieerd bevel.

Ontmanteling van de Partizanengroep in Damme

De Partizanen in de polderdorpen hebben veel verliezen geleden. Een volledige en gedetailleerde reconstructie van de manier waarop de groepen in het vizier kwamen van de Duitsers, is lastig en onvolledig. De Duitsers liepen uiteraard niet te koop met de manier waarop ze verzetsgroepen op het spoor kwamen om hun informanten en infiltranten te beschermen. De betrokken verzetslui wisten dus vaak niet of maar gedeeltelijk op welke manier de Duitsers hen te pakken hadden gekregen.

Om te beginnen is er de omstreden rol van de Damse groepsleider, Hilaire Van den Berghe. In de studie van Tim De Craene lezen we een getuigenis van Henri De Meyer: “Hij (Van den Berghe, nvdr) was een zeer actief man, en zeer stoutmoedig. In 1943 had ik voortdurend moeilijkheden met hem, daar hij acties beraamde welke niet in het kader van de weerstand vielen. In november van dit jaar nadat hij gepoogd had mij in verbinding te stellen met Van Beveren André werd hij definitief uitgesloten”. Van den Berghe werd dus eind 1943 wegens disciplinaire redenen uit de Partizanen gesloten. Waarom dat precies gebeurde is niet duidelijk: er worden in de getuigenis van korpscommandant Demeyer geen details gegeven. Jos Rondas spreekt in zijn nota’s over Van den Berghe als lid van “de bende van Damme”, die zich schuldig zou gemaakt hebben aan “diefstal, inbraak, geweld en brandstichting” en “aanslagen op de boerenbevolking uit winstbejag”, al is het niet duidelijk waarop Rondas zich baseert om dat te beweren. Het is uiteraard zo dat de sabotageacties van de Partizanen, en met name het vernielen van opgeëiste oogsten door middel van overvallen en brandstichting in schuren, vanuit het standpunt van sommige boeren, collaborateurs of de Duitsers als terreur werden bekeken. Jos Rondas spreekt in zijn nota’s ook over de “executie” (sic) van Jules Claeys, door de “bende van Damme”, waarvan onder meer Hilaire Van den Berghe, de gebroeders Maertens en Jozef Lampo zouden betrokken geweest zijn. Ook hier is niet duidelijk waarop Rondas zich baseert, wellicht op gesprekken met betrokkenen of op ons niet bekende stukken uit de ondervraging van Van den Berghe en/of Lampo door de GFP. Het is ons niet duidelijk wie Jules Claeys was, wat de omstandigheden van zijn dood waren en waarom Rondas zijn dood in verband brengt met Van den Berghe, Maertens en Lampo. Feit is dat Lampo en Van den Berghe ter dood veroordeeld zijn door de Duitsers wegens “Feindbegünstigung, Waffenbesitzes und Mord”

Een tweede element is het optreden van infiltrant André Vanbeveren. Vanbeveren was de oudste broer van Partizaan Norbert Vanbeveren, was voor de oorlog al wegens enkele misdrijven veroordeeld en stemde in om voor de Duitsers te gaan werken om zo aan verdere vervolging te ontsnappen. Hij probeerde contact te leggen met meerdere verzetsgroepen, waaronder ook een groep die aangesloten was bij het Geheim Leger en met Simonne Danneels, alias madame Paula, de verloofde van Henri De Meyer en waarnemend korpscommandant van de Partizanen. Die pogingen liepen op niets uit, maar Vanbeveren slaagde er wel in om de Damse groep in de val te lokken. Hij zocht en vond contact met Hilaire Van den Berghe. Bij Decraene lezen we daarover: “Van den Berghe werd gearresteerd in het café ‘Het Hemeltje’ in Damme, op 14 februari 1944, samen met vier andere personen. Hij was toen al een drietal maanden uit het PA gesloten, en over zijn activiteiten in deze periode is niets bekend. Kort na zijn aanhouding ging VDB niettemin aan het praten. Dit lezen we onder andere in het verslag van een man die op zijn aanwijzen werd gearresteerd: “De dag dat ik aangehouden werd werd ik door de GFP in de tegenwoordigheid gebracht van VDB Hilaire, aan wie ze vroegen of ik het was, en die bevestigde dat ik het was. Ik heb niet vastgesteld indien VDB Hilaire vroeger door de Duitsers mishandeld geweest was om hem tot spreken te brengen. Hij heeft ook op het verhoor de namen vernoemd van de leden van de groep Damme tot dewelke ik niet behoorde. Buiten de confrontatie met VDB, werd ik ook in aanwezigheid van De Boi gebracht, ik herinner mij niet indien deze mij in het gedrang gebracht heeft. Ik heb niet geweten dat VDB uit de groep gesloten was. Ik heb hem leren kennen daar ik bij hem een brief heb moeten afgeven op last van Styns Alfons. VDB heeft verklaard dat ik hem een revolver overhandigd had, het was een revolver die ik van Rosson ontvangen had”.

Uit deze getuigenis blijkt dat VDB niet alleen mee verantwoordelijk was voor de arrestatie van de getuige, een bakschipper uit Lissewege, maar dat hij ook de namen noemde van de PA‐groep uit Damme, waaruit hij enkele maanden voordien was weggestuurd. Wat de concrete gevolgen waren van zijn uitlatingen, is moeilijk in te schatten. Misschien gaf hij cruciale, nieuwe informatie, misschien bevestigde hij enkel wat de Duitse inlichtingendiensten al lang wisten door infiltranten als Van Beveren. Feit is dat de vijf andere terechtgestelden pas nà VDB werden aangehouden.”

Het is duidelijk dat André Vanbeveren actief betrokken was bij het verraad en het is aannemelijk dat Hilaire Van den Berghe, wellicht onder foltering of dreiging met foltering, een aantal andere namen heeft genoemd of bevestigd. Vanbeveren is na de oorlog door het Belgisch gerecht veroordeeld en geëxecuteerd wegens de verklikking van meerdere mensen.

Arrestatie

In de dagen na het verraad in ‘t Hemeltje, werden in totaal twaalf mannen opgepakt, waaronder Dammenaars Hilaire Van den Berghe, Jozef Lampo, Jerome D’Hondt, Robert Maes, Leon Maertens en cafébaas Gustaaf De Lodder. Ook De Lodders vrouw Margriet Schoonbaert en zijn schoonzus Simonne Schoonbaert werden opgepakt. Kort daarna volgen nog arrestaties: Dudzelenaar Cyriel Huys op 23 februari 1944 en een aantal Partizanen in Lissewege, waaronder de broers Crevits op 29 februari 1944. Enkele weken later, in de nacht van 17 maart 1944, werd ook Aloïs Seghers thuis opgepakt. Op hetzelfde moment worden nog twee Dammenaren gearresteerd: Guillaume De Roo en Marcel Costenoble. Twee van de arrestanten, Jozef Lampo en Hilaire Van den Berghe, worden op 20 mei 1944 in Oostakker geëxecuteerd, samen met vier andere partizanen uit de streek: Gaston Boereboom en Albert Maes uit Heist, Alfons Styns en Jullien De Boi uit Lissewege. Allen waren door het Kriegsgericht in Brugge ter dood veroordeeld voor “Feindbegünstigung”, wapenbezit, sabotage, spionage of zelfs moord (dat laatste in het geval van Lampo en Van den Berghe).

Deportatie naar Duitsland

Eerst werd Aloïs Seghers opgesloten in het Pandreitje, de gevangenis van Brugge. Op 22 mei 1944 werd hij samen met een andere mannen uit de polderdorpen naar de gevangenis van Sint-Gillis in Brussel gebracht.

Op 12 juni 1944 werd hij op transport gezet naar Duitsland. Ze werden twee dagen opgesloten in de gevangenis van Keulen en op 14 juni werden ze verder op transport gezet naar het oosten, meer bepaald het concentratiekamp Gross-Strehlitz (het huidige Strzelce Opolskie in Polen). Ze kwamen daar aan op 17 juni 1944. Na de registratie in het hoofdkamp werd Aloïs op 22 juni doorgestuurd naar Laband (het huidige Labedy), een bijkamp van Gross-Strehlitz. Laband was een klein satellietkamp, pas opgericht in de zomer van 1944. De gevangenen werden aan het werk gezet in een fabriek die deel was van de Herman Göringwerke, een staalconcern in overheidshanden dat onder meer kanonnen en obussen produceerde. De gevangenen in Laband moesten draaiwerk verrichten bij het maken van lopen voor kanonnen.

Aloïs bleef in Laband tot 21 januari 1945. Toen de Russen in januari 1945 het kamp naderden, werden Gross-Strehlitz en de satellietkampen ontruimd. De gevangenen moesten te voet door de bijtende kou, op weg naar het westen, op zogenaamde ‘dodenmarsen’. Wie achterbleef, werd doodgeschoten. Eerst ging het 150 kilometer te voet van Laband naar Neisse, waar de gevangenen op een trein werden geladen. In Neisse werden de gevangenen in open goederenwagons gezet en begon een tocht per trein van 580 kilometer. Van de 495 gevangenen die aan de tocht begonnen, kwamen er twee dagen later maar 285 overlevenden aan in Buchenwald, bij Weimar. Bij aankomst in dat kamp kregen ze een nieuw nummer, werden ze opnieuw kaalgeschoren, moesten ze in de douche om te worden ontsmet met bijtende producten, werden ook hun kleren ontsmet. Aloïs kreeg er het gevangenennummer 86-968. Buchenwald was op dat moment overbevolkt: 55.000 gevangenen waren er door de opmars van de geallieerden van alle kanten samengedreven. De gevangen werden ingezet in werkcommando’s die puin moesten ruimen in Weimar, spoorwegen herstellen of autowegen ombouwen tot een landingsplaats voor vliegtuigen.

Enkele maanden later, op 10 april 1945, werd ook Buchenwald ontruimd omdat het front naderbij kwam. Dit keer werden de gevangenen met honderd tegelijk in open goederenwagons geduwd. Op de bodem van de wagons lag een laag kolengruis van enkele centimeters dik. De trein zette zich tergend traag op gang, stond vaak urenlang stil, reed heen en weer om plaats te maken voor andere transporten. De gevangenen kregen nauwelijks water of voedsel, er was geen sanitair. Elke morgen werden de doden uit de trein gegooid en vervangen door levenden, zodat er wagons konden worden uitgespaard.

Op 24 april 1945 stierf Aloïs Seghers. Dammenaar Guillaume De Roo was bij hem. Aloïs werd uit de trein gegooid in het dorpje Zihle, in het huidige Tsjechië, en in een haastig aangelegd massagraf begraven. De trein bereikte op 6 mei Terezin (Theresienstadt). Van de 5.545 gevangenen die er op de trein werden gezet, bereikten slechts 907 de eindbestemming. Van de overlevers stierven er nog eens 426 kort na de aankomst. Terezin werd door de Russen bevrijd op 6 mei 1945.
Op 3 juli 1945 zijn de doden in het massagraf in Zihle ontgraven. Aloïs droeg nog zijn kampnummer, werd zo geïdentificeerd, gekist en opnieuw met het nodige respect begraven in Zihle.

Na de oorlog

Na zijn arrestatie in maart 1944 kreeg de familie geen teken van leven meer van Aloïs. Dat was ook de bedoeling: gevangenen werden in Nacht und Nebel weggevoerd om als slavenarbeider te werken in de Duitse oorlogsindustrie. Niemand mocht weten wat er met de gevangenen gebeurd was of waarheen ze gevoerd waren. De onzekerheid over het lot van Aloïs bleef duren tot de de terugkeer van Guillaume de Roo in mei-juni 1945.

(krantenartikel mei-juni 1945)

In een brief vertelde een andere medegevangene, Georges Maes uit Emelgem (Izegem), over zijn ontmoeting met Aloïs in Buchenwald: “In Buchenwald heeft hij recht over mij altijd gezeten aan tafel en daar was hij reeds ziek lijdend aan gezwellen in het aangezicht een soort zweren en dan is onze lange marteltocht begonnen toen we op 10 april het kamp moesten verlaten (…) met meer dan 4000 doden die we op die reis achtergelaten hebben waar ook uw broeder door gebrek aan voeding en verzorging overleden is, de juiste datum ben ik niet zeker maar dat is rond 25 april in Schelies (Tjeco Slowakije).

(brief van Georges Maes)

Vele jaren later, in 1990, heeft Antoon, de broer van Aloïs, alle informatie die hij kon vinden samengelegd en het traject dat zijn broer had afgelegd door de kampen overgedaan. Hij trok naar Zihle, waar hij het graf van Aloïs heeft bezocht. In Zihle staat tot op de dag van vandaag een monument, aan het graf van de slachtoffers die daar begraven zijn.

(foto links: de begraafplaats in Zihle. Rechts: de broers Joseph, Antoon, Pierre en Aloïs.)

Aloïs Seghers werd postuum erkend als gewapende weerstander, aangesloten bij de Partizanen.

Het verhaal van Aloïs Seghers is een gelegenheid om ook het lot van de andere Dammenaars te herdenken die actief waren in het verzet.

Acht Dammenaars zijn vermoord door de nazi’s of  in concentratiekampen omgekomen:

Jozef Lampo, geëxecuteerd in Oostakker, 20 mei 1944

Hilaire Van den Berghe, geëxecuteerd in Oostakker, 20 mei 1944

Leon Maertens, gestorven in Buchenwald, 2 april 1945 (Duitsland)

Aloïs Segers, gestorven op 25 april 1945 in Zihle (Tsjechië)

Robert Maes, gestorven op 2 mei 1945 in Kastice (Tsjechië)

Marcel Costenoble, gestorven op 26 mei 1945 in Terezin (Tsjechië)

Marcel Cromheecke, gestorven begin juni 1945 in Terezin (Tsjechië)

Jerome D’Hondt, gestorven eerste week juni 1945 in Terezin (Tsjechië)

Guillaume De Roo, Gustaaf De Lodder, Margriet Schoonbaert en Simonne Schoonbaert overleefden de Duitse gevangenissen en concentratiekampen.

bronnen:

  • Tekst Antoon Seghers, 1990.
  • Gesprek met Kristina Seghers, september-oktober 2025 (foto’s)
  • Nationaal Museum van de Weerstand: dossier Partizaan Aloïs Seghers
  • Sharon De Clercq, Het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog te Brugge en omstreken, 2007 (Masterproef UGent)
  • Website VOPGV (offline, gearchiveerd).
  • Getuigenis Guillaume De Roo in de Nieuwsbrieven van de HK ‘t Zwin, 2004.
  • Semper fidelis? De geschiedenis van de executieoorden Rieme en Oostakker, Tim De Craene.
  • Wikipedia, over Amedée Boi (https://nl.wikipedia.org/wiki/Amed%C3%A9e_Boi).
  • Notities Jos Rondas.