Ga naar de inhoud

Edouard Gailliaert

Sterstraat 36, Brugge

Edouard Gailliaert werd geboren op 15 november 1926 in Roubaix, als zoon van “charpentier” Alphonse Gailliaert en Marie-Louise Claeys. Het gezin verhuisde naar Brugge want vanaf 1936 baadt Marie-Louise een kruidenierszaak ‘Central’ uit in de Sterstraat 34. De jonge Edouard liep school op de Rijksmiddelbare School (RMS) in de Boomgaardstraat. Hij werd in maart 1944 samen met zestien anderen opgepakt en in een showproces veroordeeld tot twee jaar jeugdgevangenis wegens ‘Feindbegünstigung’ (het ‘begunstigen van de vijand’). Hij overleefde de concentratiekampen en keerde begin mei 1945 terug naar Brugge.

De ‘Revolutionaire Volksjeugd’ (RVJ) in de RMS

Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakte een groep leerlingen van de Rijksmiddenschool in Brugge betrokken bij het verzet tegen de Duitse bezetter. Onder hen bevonden zich Mathieu Hinoul en Hubert Van Achte, die het initiatief namen om samen met medeleerlingen een kleine verzetsgroep op te richten. De groep werd later bekend onder de naam Revolutionaire Volksjeugd. Hun activiteiten bestonden voornamelijk uit het verspreiden van sluikpers en pamfletten met anti-Duitse inhoud. Het waren aanvankelijk bescheiden daden, maar in het bezette België golden ze als ernstige misdrijven. 

Edouard Gailliaert sluit zich aan bij de RVJ

Edouard Gailliaert was één van hen, hij woont op dat moment met zijn ouders en grootouders in de Sterstraat 34 waar zijn moeder een kruidenierszaak ‘Centra’ uitbaat. Hij getuigt over die periode: “De leerlingen die werden aangehouden waren 15, 16 en 17 jaar. Je kunt niet verwachten dat iemand op die leeftijd gewapende acties onderneemt. Het verzet bestond erin sluikbladen te verspreiden. Alle mogelijke exemplaren die op de clandestiene markt kwamen, verdeelden we. Het waren dus blaadjes tegen de bezetter en tegen de collaboratie. Het is ons duur te staan gekomen…”

Er broeide wat in de Rijksmiddenschool in Brugge. Ruim een jaar na het begin van de bezetting ontving het Militärbefehl, het Duitse militaire bestuur in Brussel, een nota die uitgebreid verslag deed van de vijandige geest in de middelbare scholen in Brugge. In zijn als geheim aangeduide brief deelde de Verwaltungschef van Feldkommandantur 578, de plaatselijke Duitse bevelhebber in Brugge, mee dat de nota van de lokale vertrouwensman, een zogenaamde V-Mann, door de Geheime Feldpolizei was geverifieerd en juist bevonden. Het stemde hem niet vrolijk. Amper een jaar na het begin van de bezetting was de strijd om de sympathie van de bevolking, door de Duitsers nochtans krachtig gevoerd, verloren. Hij schreef onder andere: “De mentaliteit van de leerlingen en van de jeugd in het algemeen is niet goed. Met uitzondering van onze eigen Vlaams-Nationale jeugd, is de jeugd anglofiel, anti-Duits en anti-Vlaams-nationaal.” Een oorzaak hiervoor was onder andere “de vijandige geest binnen de onderwijsinstellingen”. In de daaropvolgende analyse van het lerarenkorps van acht Brugse scholen worden tientallen leerkrachten of directeurs als anti-Duits, anti-VNV of anglofiel omschreven. Voor de Rijksmiddelbare jongensschool ging het om liefst veertien leerkrachten, waaronder Michel Van Poucke, erkend bevelhebber van het Geheim Leger, Fernand Mullaert, officier, en Theodule Macharis, de stichter van de Brugse afdeling van het Onafhankelijkheidsfront.

Het Onafhankelijkheidsfront rekruteerde actief in jongeren milieus, zoals jeugdbewegingen of sportverenigingen. Net als vandaag waren jongeren ook toen aantrekkelijke rekruten vanwege hun impulsiviteit en grote drang naar rechtvaardigheid.

De RVJ in het vizier van de bezetter

In 1943 en 1944 werd de groep opgespoord door de Duitse veiligheidsdiensten. Op 21 september 1943 werd Mathieu Hinoul met nog een paar anderen gearresteerd terwijl hij telefoonkabels aan het doorsnijden was in Oostkamp. De rest van de groep wacht bang af: “Als die spreekt, zijn we er geweest…” Maar er gebeurt niets, Hinoul heeft niet gesproken. Pas 6 maanden later volgt een golf van arrestaties. Volgens Edouard ingegeven door verklikking: een medestudent die lid was van het VNV hielp de Gestapo. Hij zou voor elke persoon die aangehouden werd 700 fr gekregen hebben. Studiemeester Abraham Delatere en maar liefst 17 andere leerlingen worden op school en thuis gearresteerd.

Een politiek showproces

Een paar dagen na de invasie in Normandië, op 8 juni ‘44, ging hun proces onder grote belangstelling van de Brugse bevolking door. De zwaarste straf was voor leraar Abraham Delatere, die wegens samenzwering tegen de vijand en voortdurende verspreiding van anti-Duits propagandamateriaal veroordeeld werd tot tien jaar gevangenisstraf. De aangeklaagde leerlingen kregen een gelijkaardige straf, wegens het verspreiden van anti-Duits propagandamateriaal, samenzwering om de vijand te herbergen, het bezit van anti-Duits propagandamateriaal, samenzwering om de vijand te begunstigen. Roger Warnier, Norbert Van Achte, José Dewit, Arthur Gallet krijgen één jaar jeugdgevangenis; Robert Michotte één jaar en drie maanden; André Poppe kreeg anderhalf jaar; Raymond Ruysschaert, Omer Mille, Ignatz Sorion, Willy Sette, Julien Vlaeminck en Edouard Gailliaert kregen twee jaar; Hubert Van Achte, Fernand Van Acker, Raoul Pierart, Jacques Strubbe kregen drie jaar. 

Vijf onder hen zouden de kampen niet overleven. Ook Mathieu Hinoul -die toen al in Polen gevangen zat- zou aan zijn helletocht bezwijken. Want hoewel de uitgesproken straffen relatief beperkt leken, betekenen ze in de praktijk deportatie naar Duitse gevangenissen en kampen. De jongeren werden ingezet voor dwangarbeid, onder zware omstandigheden en ver van huis. 

Een lange tocht door gevangenissen en concentratiekampen

Edouard werd met zijn medestudenten na doortocht in de Belgische gevangenissen van Brugge en Sint-Gillis (“waar alles nog menselijk was”) als dwangarbeider ingezet in Krefeld, in een steenbakkerij. Het bleek een steenbakkerij voor hoogovens te zijn. De jongens moesten er binnen gaan als de stenen gebakken waren. Ze droegen houten schoenen, een soort klompen, aan hun voeten. Bij aankomst woog hij 70 kg, enkele maanden later nog 50 kg. Hij zegt: “Ik ben daar letterlijk weggesmolten door de hitte”. Maar het kan nog erger, in de herfst van ‘44 wordt de groep overgeplaatst naar Wolfenbüttel. Edouard komt er aan op 27 september ‘44 en krijgt gevangenisnummer 1417/44.

Braunschweig, dat op 14 km van Wolfenbüttel lag, werd platgebombardeerd door de geallieerden. Edouard en andere gevangenen (o.a. Raymond Ruysschaert, André Poppe, …) moesten te voet van het kamp naar daar marcheren om puin te ruimen, 14 km heen en ‘s avonds na zware arbeid 14 km terug. De groep verloor 2 klasgenoten tijdens die werkzaamheden. José De Wit sterft ter plaatse wanneer een muur onverwacht omvalt. Roger Rau raakt zwaargewond -hij verliest bij het ongeval een voet- en sterft ‘s avonds door gebrek aan verzorging.

Wolfenbüttel was een terechtstelling oord, regelmatig worden de gevangenen geconfronteerd met executies. Drie maanden voor de bevrijding mochten de jongens niet meer in Braunschweig werken, het Duitse Rijk zakte langzaam in elkaar en naar het einde toe zaten er zelfs gedeserteerde SS-ers opgesloten in het kamp. De Amerikanen die hen bevrijdden op 11 april 1945 wisten dat. Er werden pantserwagens opgesteld aan de poorten van de gevangenis zodat niemand zomaar in of uit kon. In de gevangenis moest Edouard voor een commissie verschijnen waar ook een Belgische officier in zetelde. Die ging na wat de herkomst van de gevangene was, ze hadden ook alle dossiers bij.

Terug in Brugge

Op 5 mei is Edouard terug in Brugge, hij woog nog 48 kg. Zijn grootmoeder beweerde dat ze zijn naam op de radio gehoord had en geloofde dat hij zou terugkomen. De tol voor de groep van de RMS is ontzettend hoog geweest: ze telden 4 doden en na de bevrijding zijn nog de 2 broers Van Achte (eerst Hubert en dan Norbert) gestorven van ontbering.

Na de oorlog is Edouard Gailliaert gehuwd met Ginette Alleyn, ze kregen samen 4 kinderen: Jean-Pierre, Marie-Claude, Dominique en Alain. Hij is zijn hele leven ambtenaar geweest bij het kadaster, eerst in Brussel aan het Ministerie van Koloniën, en later in Brugge.

Erkenning kwam er onder de vorm van meerdere eretekens en hij heeft zich levenslang ingezet om de herinnering aan het lot van politiek gevangenen in stand te houden. Hij was stichtend lid en jarenlang ondervoorzitter van de NCPGR (de ‘Nationale Confederatie van Politieke Gevangenen en Rechthebbenden’). Samen met lotgenoten als Raymond Ruysschaert en André Poppe, ijverde hij voor het bewaren van de gevangenis van Wolfenbüttel als erfgoed. Ze zijn daar uiteindelijk ook in geslaagd.

Edouard Gailliaert is overleden op 17 mei 2003 in Brugge.

Bronnen:

  • Andries Van Den Abeele, De houding van leraren en leerlingen tegenover bezetter en collaboratie in de Brugse middelbare scholen begin 1941, Wetenschappelijke tijdingen • LX/1/2001
  • Karl Vandenberghe, De trein fluit. Getuigenissen uit concentratiekampen, 1995.
  • Familiearchief Gailliaert
  • Archieven KZ Wolfenbüttel (politiedossier José Dewit)