Henri De Meulenaere
Gistelse Steenweg 436, 8200 Sint-Andries

Henri De Meulenaere werd geboren op 7 juli 1921. Hij trouwde op 26 november 1943 in Blankenberge met Irene Van Belle en het koppel ging langs de Gistelse Steenweg in Sint-Andries wonen. Ze kregen geen kinderen. Henri werkte in de glasfabriek in Lissewege en tijdens de oorlog sloot hij zich aan bij het verzet in Lissewege, dat vooral onder arbeiders en bedienden van de glas- en cokesfabriek recruteerde. Hij werd in februari 1944 gearresteerd en als Nacht-und-Nebel-gevangene gedeporteerd naar een concentratiekamp. Hij stierf in Gross-Rosen, op 5 december 1944
Het noodlot slaat toe
Joseph De Meulenaere, de vader van Henri, die geboren is in 1891, werkte in de Cokesfabriek in Zwankendamme bij Zeebrugge. De cokesfabriek was een strategisch belangrijke fabriek voor de Duitse oorlogsinspanning. Er werden niet alleen cokes geproduceerd, die onmisbaar waren voor de staalproductie en dus voor de wapenindustrie, maar ook afgeleide producten die van belang waren voor de energievoorziening en de chemische industrie. De cokesfabriek werd daarom herhaaldelijk gebombardeerd door de geallieerden. Zo ook op 28 juli 1943. De fabriek werd zwaar getroffen en werd buiten werking gesteld. Er stierven twaalf arbeiders, onder wie Joseph De Meulenaere.
Bij het verzet in Lissewege
Maar daar blijft het niet bij. Een half jaar later, op 24 februari 1944, wordt Henri gearresteerd op verdenking van het drukken van pamfletten. Hij had zich aangesloten bij een verzetsgroep in Lissewege, die vooral bestond uit arbeiders van de cokes- en glasfabriek. Ook mannen als Cyriel Huys, Julien Reychler en de broers Amedée en Gerard Crevits maakten er deel van uit.
Het is niet helemaal duidelijk bij welke overkoepelende groep de verzetsgroep van Lissewege behoorde. De ene bron brengt ze onder bij de Partizanen, de andere bij de Witte Brigade Fidelio, en uiteindelijk worden verschillende leden van de groep erkend als lid van het Geheim Leger. De onduidelijkheid wijst erop dat het verzet van onderuit ontstond en dat groepen niet altijd helder in de ene of de andere groep onder te brengen waren. Connecties maken tussen verzetsgroepen onderling was moeilijk en gevaarlijk en de bestaande connecties gingen soms ook weer verloren. In het begin had de groep uit Lissewege duidelijke connecties en samenwerkingen met andere Partizanengroepen in Damme, Dudzele en Heist. Uiteindelijk verloor de groep door de aanhouding van zowel leden in Damme, Lissewege als bij het regionale commando van de Partizanen (korpscommandanten Henri De Meyer en Albert Serreyn) het contact met de Partizanen. Daarna vond de groep even aansluiting de Witte Brigade Fidelio en uiteindelijk bij het Geheim Leger. Onder het bevel van die laatste opereerde de groep kort voor en na de bevrijding. Na de oorlog is er zelfs een discussie gevoerd tussen de Witte Brigade en het Geheim Leger bij wie de Lissewegenaars zouden behoord hebben. De verzetsgroep was wellicht vooral zichzelf: gewone mensen die deden wat ze konden tegen de bezetter, met de mensen die ze kenden en de middelen die ze ter beschikking hadden. Van de hogere echelons of de grotere verbanden waren de meeste leden zich niet of nauwelijks bewust.
Het is ons niet bekend wanneer en door wie Henri De Meulenaere toetreedt tot het verzet, noch aan welke verzetsdaden hij precies deelnam. De groep in Lissewege verspreidde sluikbladen, probeerde in de Cokesfabriek sabotage te plegen, saboteerde treinrails en -wissels, strooide zand in de rempotten van treinen, stak oogsten in brand stak (vlas of koolzaad) om te beletten dat ze door de Duitsers zouden gebruikt worden, knipte telefoon- en telegraaflijnen door, verduisterde of vernielde bouwmaterialen op Duitse werven.
Verraden door een infiltrant
Het is ons niet precies bekend hoe de Duitsers Henri op het spoor kwamen. We nemen aan dat Henri De Meulenaere net als de anderen van de groep Lissewege in februari 1944 het slachtoffer werd van de 37-jarige Brugse verklikker André Vanbeveren, broer van partizaan Norbert Vanbeveren. André Van Vanbeveren was reeds bij het Belgische gerecht gekend voor 1940 en meermaals veroordeeld. Vanbeveren werd op 13 februari 1944 door de Belgische rijkswacht aangehouden omdat hij nog drie jaar gevangenisstraf moest uitzitten en nieuwe criminele feiten had gepleegd. Hij werd naar het politiebureel te Brugge overgebracht maar kwam onmiddellijk op vrije voeten door tussenkomst van de Brugse collaborerende politiecommissaris Marcel Van Houtte en Oberfeldwebel Paul Lensing van de GFP (Geheime Feldpolizei). Lensing had hem kunnen overhalen om voor de Duitsers te werken. Vanaf het voorjaar 1944 specialiseerde hij zich samen met zijn minnares Marguerite Meulemeester in het infiltreren van verzetsgroepen. Hij slaagde daarin bij Partizanen-groep in Damme, die ook gelinkt was met de groep in Lissewege. Ook bij het koprscommando van de Partizanen in Brugge, dat toen werd waargenomen door Simonne Danneels, de vrouw van Henri Demeyer, en bij Geheim Leger poogde hij te infiltreren, maar dat mislukte. Kort voor de bevrijding vluchtte hij naar Maagdenburg waar hij aan de slag ging als smid. Bij zijn terugkeer in België werd hij aangehouden, voor het gerecht gebracht en op 4 november 1947 ter dood veroordeeld wegens verklikking. Volgens het vonnis hebben zijn activiteiten tot de dood van vijf mensen geleid. Hij is als laatste in Brugge terechtgesteld, op 29 mei 1948.
Correspondentie bij opsluiting
Na zijn aanhouding kon Henri De Meulenaere meerdere brieven naar huis sturen. Er zijn twee brieven bewaard vanuit het Pandreitje, de Brugse gevangenis: een op 27 februari 1944, een andere op 14 mei 1994. Het zijn korte, zakelijke aantekeningen op voorbedrukt papier, waarin hij een lijst van dingen opschrijft die hem moeten bezorgd worden (“zeep, washandje, kousen, onderlijf, kam…”). De brieven zijn in de eerste plaats een teken van leven, voor persoonlijke boodschappen was er geen ruimte. De familie werd in het ongewisse gelaten over wat er met een gearresteerde gebeurde.

In mei of juni 1944 werd hij overgeplaatst naar de gevangenis van Sint-Gillis in Brussel. Ook daar kan hij enkele briefjes schrijven, dit keer wel op gewoon papier en zonder dat de Duitsers meekijken. Eentje is gedateerd op 11 juni 1944, op het moment dat hij per trein vanuit de gevangenis Sint-Gillis wordt weggevoerd naar een voor hem onbekende bestemming. Hij kan het briefje uit de trein gooien en het raakt op een of andere manier bij de familie. Henri is optimistisch. Of hij probeert op zijn minst om het thuisfront op te monteren: “We zijn allen nog in zeer goede gezondheid en vol moed.” De informatie werd doorgegeven aan de familie van iedereen die vermeld werd. We lezen dat hij onderweg is samen met andere mannen uit de polderdorpen tussen Brugge en de kust: Gustaaf Coppejans, Alfons Brans, Eugene Meulemeester, Emiel Tavernier, Cyriel Huys, Julien Reichler (link aan te vullen) en de broers Gerard en Amedée Crevits. Ze behoorden allen tot dezelfde verzetsgroep.“Wil volgende families verwittigen”, schrijft Henri. “Houd u allen zeer goed en laat het hoofd niet hangen. Zorg maar dat er wafels en cigaretten zijn voor mijn thuiskomst.”
Op de trein schrijft hij nog andere briefjes, waarvan er ééntje opnieuw de familie bereikt. Het is korter. “Liefste Vrouwtje, We zitten in den trein voor Duitschland en we zullen trachten een brief uit te werpen. Zijn mee uit Lissewege: Brams Alfons, Crevits Amedé en Gerard, Meulemeester Eugene, Tavernier Emiel, Coppejans Gustaaf, Reickler Julien. Wil die families verwittigen. Wij hebben goede moed en zullen deze houden. Hou je kloek en tot weldra.”
Naar Duitsland gedeporteerd
Begin mei 1944 beslist het Duitse militaire gerecht (het “Gericht OFK 570, Zweigstelle Brügge”) dat Henri en de 22 medegevangenen niet in het bezette land veroordeeld kunnen worden en voor berechting naar Duitsland moeten gevoerd worden. Dit is de beruchte “Nacht und Nebel”: verdachten worden weggevoerd zonder dat de familie weet wat er met hen gebeurt en in Duitsland berecht. In de praktijk betekent dat vaak dat verdachten afgevoerd worden naar de concentratiekampen, waar ze worden onderworpen aan zware dwangarbeid, honger, slechte behandeling en willekeurige straffen. De gevangene worden ‘doodgewerkt’ in dienst van de Duitse oorlogsindustrie.
Het is niet in detail bekend in welke concentratiekampen Henri verbleven heeft. Uit briefwisseling tussen de familie en overlevenden van de kampen komen we te weten dat er mannen zijn die Henri gekend hebben in de strafgevangenis van Gross-Strehlitz, het huidige Strzelce Opolskie, in wat tot 1945 Opper-Silezië was. Van daaruit werd hij 30 oktober 1944 naar het concentratiekamp Gross-Rosen gevoerd, net zoals de meeste andere gevangenen uit Lissewege, Dudzele en Heist. Gross-Rosen is het huidige Rogoźnica, ook in Opper-Silezië. Gross-Rosen staat bekend als één van de concentratiekampen met hardvochtigste regime en de grootste sterftegraad onder de gevangenen. Ze werden er aan het werk gezet in een weverij, fabrieken van Siemens en Blaupunkt, en in een beruchte steengroeve. Daar werkten Duitse burgers nauw samen met dwangarbeiders uit de concentratiekampen, de Duitse burgers zagen dus duidelijk hoe slecht de gevangenen behandeld werden en hoe snel ze uitgeput raakten en stierven. De gevangenen die in de steengroeve werkten, overleefden gemiddeld maar vijf weken.
Volgens de archieven van het Museum Gross-Rosen kreeg Henri De Meulenaere het kampnummer 82296 en overleed hij op 5 december 1944.
Onduidelijkheid over het lot van Henri
Voor de familie bleef het lang onduidelijk wat er met Henri gebeurd was. De briefjes van juni 1944 waren het laatste teken van leven. De verwarring houdt aan, ook na de bevrijding van Brugge in september 1944 en het einde van de oorlog begin mei 1945. Het werd wel heel pijnlijk toen iemand in een krant las dat ene Henri De Meulenaere vanuit Duitsland was teruggekeerd, en in Herentals van de trein zou gestapt zijn. René Libens, de man van Henriëtte, de zus van Henri, ging op zoek. Het ging helaas om een naamgenoot uit het Antwerpse…. “Het was wel degelijk waar, maar het was een jongen uit Antwerpen”, schrijft hij aan de familie in Brugge. Uiteindelijk komt de familie te weten dat Henri in december 1944 is overleden in Gross-Rosen. Hij werd postuum erkend als gewapend weerstander, aangesloten bij de Witte Brigade – Fidelio.