Henri, Valentin en Valère Van Acker
Klaverstraat 23, Brugge
Drie broers Van Acker
Henri, Valentin en Valère Van Acker waren de zonen van Henri Van Acker en Eugénie Louise Marie Soens. De drie broers werden geboren in de jaren vóór de Eerste Wereldoorlog: Henri op 6 april 1907, Valère op 3 december 1909 en Valentin op 9 november 1912. De familie Van Acker had het niet breed, de mannen werkten als dagarbeiders. Achiel Van Acker, de latere voorman van de socialistische beweging, was een neef van vader Henri en groeide op in dezelfde buurt.
Henri gaat om den brode gaan werken in Duitsland
Henri Van Acker was gehuwd met Rosa Vanhoeck en vader van vijf kinderen: Valeer, Irene, Adrien, Gilberta en Maria. Hij werkte als grondwerker bij de gasmaatschappij in Brugge. Omdat hij als enige kostwinner moeite had om zijn gezin te onderhouden, vertrok hij in mei 1942 naar Duitsland om er te werken.

Om de oorlogsinspanning te kunnen volhouden, hadden de Duitsers nood aan arbeidskracht. In de eerste oorlogsmaanden rekende de bezetter op de vrijwillige tewerkstelling in Duitsland. Door de grote werkloosheid en met uitgekiende propaganda en betere lonen probeerden de Duitsers arbeiders uit de bezette gebieden naar Duitsland te lokken. Dat lukte voor een deel: in totaal zouden tussen juni 1940 en september 1942 naar schatting 200.000 Belgen vrijwillig in Duitsland gaan werken.
Toch voldeed ook dit grote aantal niet aan de nood en werd stapsgewijs de verplichte tewerkstelling ingevoerd. In maart 1942 verscheen een eerste van een hele reeks verordeningen. De bezetter beweerde enkel “asocialen” en “beroepswerklozen” te viseren. De secretarissen-generaal (de hoogste Belgische ambtenaren) en de kardinaal Van Roey protesteerden heftig tegen de maatregelen en wezen erop dat ze een schending waren van de Conventie van Den Haag.
De maatregelen van de Duitsers volgden elkaar snel op en werden steeds strenger. De Commissies voor Openbare Onderstand mochten geen uitkeringen meer betalen aan werklozen die konden werken. Joden werden verplicht aan het werk gezet voor de bouw van bunkers aan de Atlantikwall. Eerst werden mensen enkel in België en Noord-Frankrijk ingezet, later ook in Duitsland zelf. Eerst werden zowel mannen als vrouwen opgeëist, in de fase van verplichte tewerkstelling in Duitsland ging het alleen om mannen, onder meer door het heftige protest van de bisschoppen tegen de opeising van vrouwen. De opgeëiste arbeiders werden in de Duitse oorlogsindustrie aan het werk gezet, wat gevaarlijk was omwille van de geallieerde bombardementen. De arbeiders werden ondergebracht in werkkampen waar de levensomstandigheden ronduit slecht waren. Wie geluk had kwam in een boerenbedrijf terecht en kon inwonen bij de familie. In totaal zouden 310.000 Belgen verplicht zijn tewerkgesteld, met een hoogtepunt in juli 1943. Zowat één op tien van hen waren vrouwen.
Valentin en Valère opgeëist om in Duitsland te gaan werken
Valentin, de jongste broer, was ongehuwd en werkte er al. Valère was gehuwd met Marie Giraldo en vader van één dochter, Jenny. Hij had vóór de oorlog gediend als soldaat, van september 1939 tot juni 1940, en werkte daarna als kabelwachter in Brugge. In 1942 werd Valère verplicht tewerkgesteld. Marie Giraldo getuigde hierover: “… hij is door het Arbeitsambt van Brugge opgeëist geweest als verplicht arbeider voor Frankrijk”. Valère werd naar Ouessant gestuurd, een klein eilandje voor de kust van de Bretoense havenstad Brest, waar hij voor de Duitse firma Wiesse barakken hielp bouwen. Een jaar later, in juni of juli 1943, werd hij samen met andere Belgische arbeiders overgebracht naar Boulogne, waar ze vijf dagen werden vastgehouden. Daarna volgde hun deportatie naar Gelsenkirchen, waar ze in de fabriek Deutsche Eisenwerke moesten werken, tussen Franse en Russische krijgsgevangenen. Door ondervoeding werd Valère ziek. Zijn broers Henri en Valentin, die eveneens in Duitsland werkten, haalden hem op. Nadien werkten en woonden de drie samen in Düsseldorf, in een fabriek van het concern Klöckner Werke. Klöckner Werke AG was één van de grote ijzer- en staalfabrieken, opgericht in Duisburg, met vestigingen over heel het land. Tijdens de oorlog werd het bedrijf omwille van zijn strategische positie overgenomen door de nazi’s. Net als zowat alle andere grote bedrijven werden ze volledig ten dienste gesteld van de oorlogsinspanning en schakelden ze op grote school krijgsgevangenen, opgeëiste buitenlandse arbeiders en gevangenen uit concentratiekampen in.
Betrokken bij “Antifako” en deportatie naar de concentratiekampen
Tijdens de vele luchtaanvallen van de geallieerden schuilden de arbeiders in de kelders van de fabriek, per nationaliteit gescheiden. Een medearbeider, Pieter Roelants uit Boom, getuigde na de oorlog dat de broers Van Acker zich samen met andere Nederlandse en Belgische arbeiders daar waagden aan “anti-Duitse propaganda”: gesprekken over de kracht van de geallieerden en de zwaktes van het Duitse leger. Verscheidene arbeiders van de fabriek maakten ook deel uit van een verzetsgroep die zich aansloot bij de “Organisation de combat antifasciste Antifako”, een clandestiene antifascistische strijdorganisatie. Roelants zei ook “… wanneer ik reeds thuis was vernam ik bij een schrijven van de heer Kiebooms, bestuurder der “Gazet van Antwerpen”, dat ik deel uitmaakte van een geheime groepering waarvan ik mij de naam niet herinner, en zonder te weten dat ik daarvan lid was.”
Louis Kiebooms (1903-1992) was een vooraanstaand katholiek journalist en verzetsman, die vijf jaar in het concentratiekamp Sachsenhausen gevangen zat. Na de oorlog zette hij zich actief in voor verzoening. Antifako voerde onder het mom van een hulporganisatie voor buitenlandse arbeiders in werkelijkheid sabotageacties uit, verspreidde anti-nazistische vlugschriften en ondernam andere pogingen om het Duitse oorlogspotentieel te ondermijnen. De broers Van Acker maakten hier deel van uit en namen zo, midden in vijandelijk gebied, deel aan het verzet tegen de nazi’s.
Op 15 september 1944 werden zes leden van Antifako (vier Belgen en twee Nederlanders) door de Gestapo opgepakt. Volgens een overlevende werden ze verraden door iemand uit de schuilkelder, vermoedelijk lid van een pro-Duitse vereniging. De drie broers werden als politieke gevangenen naar het concentratiekamp Sachsenhausen gedeporteerd.
Het concentratiekamp Sachsenhausen ligt op 35 kilometer van Berlijn en werd in 1936 gebouwd als concentratiekamp waar politieke tegenstanders, joden, Roma en Sinti, krijgsgevangenen en andere groepen werden opgesloten en als slavenarbeider ingezet in de oorlogsindustrie. Er zaten van 1939 tot 1945 ongeveer 200.000 mensen gevangen, er zouden 30.000 tot 50.000 mensen zijn vermoord. Het kamp had een honderdtal ‘buitenkampen’, waar gevangenen dwangarbeid moesten verrichten voor onder meer Siemens, Henschel-Werke Berlin, Daimler-Benz, IG Farben en AEG. Eind april werd het kamp ontruimd en werden de gevangenen in zogenaamde ‘dodenmarsen’ naar het westen gestuurd. Velen van hen overleefden dat niet.
Na enkele maanden in Sachsenhausen scheidden de wegen van de broers. In februari 1945 werd Valentin overgebracht naar Buchenwald III Ostdorf. Volgens een medegevangene werden de gevangenen daar op 9 of 10 april 1945, tijdens de opmars van de geallieerden, met duizenden door de Duitsers weggevoerd naar een onbekende bestemming. Daarna verloor men elk spoor van Valentin. Vermoedelijk overleed hij kort voor of na de bevrijding aan ziekte en uitputting.
Henri werd in februari 1945 overgebracht naar Amstetten, een buitenkamp van Mauthausen, waar hij op 20 april 1945 omkwam. In dat kamp werkten de gevangenen aan het herstellen van de spoorwegen in en rond het belangrijke knooppunt van het stadje Amstetten.
Valère werd vermoedelijk niet uit Sachsenhausen vervoerd. Zijn lot is onbekend, maar vermoedelijk stierf hij daar tussen maart en mei 1945.
Na de oorlog
Hoewel er in de jaren 1950 al aanwijzingen waren voor betrokkenheid bij verzetsactiviteiten, werden Henri en Valentin toen niet erkend als politieke gevangenen, omdat men meende dat zij “vrijwillig” naar Duitsland waren gegaan. Dat oordeel werd in 1961 herzien, waarna zij alsnog erkend werden als gedeporteerden in het kader van de verplichte tewerkstelling. Valère werd al eerder officieel erkend als politiek gevangene.
De dood van de drie broers had een grote impact op de familie. Er was weinig geweten over het lot van de broers en er werd ook weinig over verteld. De eerste prioriteit was overleven en rondkomen: weduwe Rosa Van Hoeck moest alleen voor vijf kinderen zorgen. De jongste dochter van Henri ging later op zoek naar informatie en kwam onder andere in Mauthausen terecht. Daar bleek de naam van haar vader foutief gelezen te zijn als “Henri Van Asher”. De fout werd rechtgezet en zijn naam is nu aanwezig op de gedenkplaats van het Mauthausen Memorial. De familie was tot dan niet op de hoogte van het lot van de broers en van het feit dat ze betrokken waren bij verzetsdaden. De dochter van Henri is de enige persoon in leven die de broers nog gekend heeft. De laatste keer dat ze haar vader heeft gezien, was in 1944, bij de plechtige communie van haar oudste zus. Ze is er nooit in geslaagd om de plaats waar haar vader gestorven is te bezoeken.
Omdat de broers elkaar tijdens de oorlog bewust hebben opgezocht en er alles aan gedaan hebben om samen te blijven, vonden we het passend om de struikelstenen ook samen te plaatsen, voor een huis waar ze langere tijd gewoond hebben. Zo zijn ze ook in de herinnering opnieuw samen.
Onderzoek: Alexandra Van den Berghe, achterkleindochter van Henri Van Acker. Eindredactie: Karl Duc en Roel Struyve.
bronnen:
- Persoonlijke dossiers in het Rijksarchief, Arolsen Archives, Mauthausen memorial
- Website KZ Sachsenhausen, https://www.sachsenhausen-sbg.de/en/
- Website KZ Mauthausen en Amstetten, https://www.mauthausen-guides.at/
- Louis Kiebooms, https://nl.wikipedia.org/wiki/Louis_Kiebooms
- Over tewerkstelling in Duitsland: https://www.belgiumwwii.be/
- Gesprekken met leden van de familie Van Acker – Van den Berghe


