Ga naar de inhoud

Julien Reychler

Willem Van Saeftingestraat 16, Lissewege

Julien Reychler werd geboren op 31 juli 1918 in Maldegem als kind van Jules Reychler en Madeleine Bellaert in een gezin met vier kinderen. Hij maakte deel uit van het verzet in Lissewege. Hij was actief binnen de lokale verzetsgroep Witte Brigade, die later opging in het Geheim Leger te Lissewege. De verzetsgroep werd verraden en ze werden met verschillende verzetsleden opgepakt in februari 1944, en gedeporteerd naar verschillende concentratiekampen. Julien overleefde de kampen niet en overleed in maart 1945. 

Hij was soldaat-milicien in 1938 en ging daarna aan de slag in de werkhuizen van Union des Verreries Mécaniques Belges division XVII Zeebrugge van 19 juni 1938 tot 10 december 1939, de voorloper van Glaverbel. Hij was ongehuwd en woonde nog in bij zijn ouders.

Sindsdien had hij meerdere jobs en werd hij ook tewerkgesteld bij bedrijven die voor de Duisters werkten. Alfons Brans, vanuit de zelfde verzetsgroep, zegt in een later verhoor hierover: “ik weet niet of hij vrijwillig of onder dwang voor de bezetter werkte doch zoals alle arbeiders in het spergebied zal hij ook wel zedelijk verplicht geweest zijn te gaan werken voor de bezetter om in zijn onderhoud te kunnen voorzien”.

Het was inderdaad zo dat je enkel in het “spergebied” mocht blijven wonen indien je er een job had en vaak was het kiezen voor een job bij een bedrijf dat werkte voor de Duisters in het spergebied (en zo  blijven thuis wonen) of een verplichte tewerkstelling naar Duitsland. We lezen in zijn dossiers ook dat hij een beperking had, hij had nl. maar één arm waardoor hij ook niet voor alle werken in aanmerking kwam. 

Zijn moeder getuigt: “Mijn zoon Julien heeft inderdaad in 1941 tot zijn aanhouding voor de Duitse diensten gewerkt daar iedereen die geen vast werk had verplicht was voor de Duitsers te werken om reden zij anders naar Duitsland zouden gebracht worden”

Zijn overste in het verzet, François Rosson getuigt ook achteraf: “Julien werkte voor de Duitse diensten waar hij in opdracht van mij sabotagediensten moest uitvoeren”,

Het verzet

Julien was inderdaad actief binnen het verzet van Lissewege en net als veel verzetsmensen die in de haven van Zeebrugge werkten hielpen ze sabotage uitvoeren om de productiviteit van deze bedrijven te vertragen of moeilijk te maken. Zijn moeder was tot aan zijn aanhouding niet op de hoogte dat haar zoon actief was binnen het verzet.

Julien Reychler sloot zich reeds in juli 1941 aan bij de weerstand, nl. bij de verzetsgroep de Witte Brigade sector Zeebrugge. Zijn geheim nr was 7111. Hij was actief bij de groep Stijns die als bijzondere opdracht had de verbindingen buiten het spergebied met andere groepen te verzekeren en de werkonwilligen te helpen langs daar te verdwijnen uit deze militaire zone.

Deze lokale groepering uit Lissewege opereerde niet alleen. Ze hadden duidelijke contacten en samenwerkingen met die van Damme, Dudzele en Heist, zowel met de Partizanen als met de Witte Brigade (later Geheim Leger). Voor Lissewege lezen we ook dat in 1943 de lokale groep Partizanen het contact met de hoofdorganisatie verliest en als onafhankelijke groep zoekt naar aansluiting en dit uiteindelijk vindt bij het “leger van België” (het latere Geheim Leger).  

Julien zou meegeholpen hebben met sabotage, vervoer en verzamelen van wapens voor depot Stijns, aanslagen op vlas- en koolzaadoogsten op bevel van het verzet, de aanslag op het signaalhuis op de lijn Brugge-Damme, het verspreiden en doorgeven van sluikpers. Hij verspreidde vanaf 1942 tot 1944 regelmatig o.a. volgende sluikbladen: Vrij België, De Partizaan, de Rode Vaan, La libre Belgique,  Morgen Rood. Hij kreeg ze via Alfons Stijn of Amedée Crevits en verdeelde die op het werk of bij gelijkgezinden.

Zijn sectorverantwoordelijke Kesteloot verklaart in een verslag na de oorlog het volgende over de verzetsactiviteiten van Julien Reychler:

“Julien was sergeant- verbindingsagent(van 1/7/1941 tot 23/06/1942) en kettingoverste van 23/06/1942 tot zijn aanhouding. Hij was een toegewijd en moedig lid van de Witte Brigade Fidelio, hield zich ijverig bezig met de verspreiding van de sluikpers, het opzoeken van inlichtingen van militaire aard, nam aan sabotage deel. Hij hielp ook bij de evacuatie illegalen en werkonwilligen. Hij werd aangehouden wegens zijn vaderlandslievende bedrijvigheid en naar Duitsland weggevoerd en stierf er na een periode van ellende en ontbering tussen Gross-Rosen en Dora in de maand februari 1945”. 

In 1949 wordt dit nogmaals bevestigd in een document getekend door Marcel Louette, de oprichter, leider en naoorlogs nog steeds hoogste in rang van de verzetsbeweging Witte Brigade Fidelio.

Het verraad binnen het verzet van Lissewege

Op 23 februari 1944 keerde echter het geluk en werd Julien aangehouden door de Gestapo terwijl hij aan het werk was. Dit was echter geen alleenstaand feit. Vanaf februari 1944 grepen nl. een ganse reeks aanhoudingen plaats te Lissewege. 

Het was de veldwachter van Lissewege Alberic Tavernier die meerdere malen ‘s nachts door de Duitse GFP (Geheime Feldpolizei) werd verplicht hen als gids te vergezellen om de woningen van de aan te houden personen aan te duiden.

Veldwachter Alberic getuigde tijdens zijn ondervraging: “Op een nacht in de maand februari 1944 werd ik omstreeks één uur ‘s nachts gewekt door de Duitsers, drie in uniform en drie in burger in het kader van een onderzoek naar vlas en schelfbranden die zich enkele maanden voordien had voorgedaan. Ex-oorlogsburgemeester Boi Amedée had mij verwittigd dat hij vreesde dat de Duitsers hiervoor gijzelaars en sterke tegenmaatregelen zouden nemen en ik was overtuigd dat ze mij als gijzelaar moesten hebben. Ze gaven mij echter het bevel het huis aan te duiden van Alfons Styns en Julien De Boi. Ik wees hen deze woningen aan waarna ze beiden hebben aangehouden. Verschillende dagen later, dit keer op 29 februari 1944, kwamen de Duitsers terug tijdens de nacht en weer diende ik hen te vergezellen. Ze wilden opnieuw een reeks personen aanhouden. Gerard Crevits, Amedée Crevits, Gilbert Tavernier, en Eugeen Meulemeester, allen werden opgepakt. Verschillende dagen later diende ik hen terug te vergezellen en als gids op te treden, ze wilden een zestal personen aanhouden. De Corte André en de ondergedoken Fleurebay Emiel waren echter afwezig of reeds ondergedoken, de andere vier werden gevonden. Acht dagen nadien rond 5 uur ‘s morgens waren ze daar alweer om Gustave Coppejans en Henri Debaene aan te houden. Deze laatste kon echter ontsnappen. Tenslotte was het ook de beurt aan Gaston Boereboom en Maes Albert te Heist (Duinbergen)”.

Het Lisseweegs verzet werd een zware klap toegediend, dit door verraad.  Alle aangehoudenen werden nl. verklikt door de 37-jarige Brugse meester-verklikker Andre Van Beveren.  Bij het Belgische gerecht was hij reeds gekend van voor 1940, de meermaals veroordeelde en onvervalste crimineel die op 13 februari 1944 door de Belgische rijkswacht werd aangehouden daar hij nog 3 jaar gevangenisstraf diende uit te zitten en nieuwe criminele feiten had gepleegd. Hij werd naar het politiebureel te Brugge overgebracht maar kwam echter onmiddellijk op vrije voeten door tussenkomst van de Brugse collaborerende politiecommissaris Marcel Van Houtte en Oberfeldwebel Paul Lensing van de G.F.P. In ruil voor zijn inzet om de GFP te helpen, kon hij mogelijks aan zijn opsluiting en aan de doodstraf ontsnappen. Een kans die André Van Beveren maar al te graag benutte. Vanaf het voorjaar 1944 specialiseerde hij zich samen met zijn minnares Marguerite Meulemeester in het infiltreren van verzetsgroepen o.a. ook de weerstandsgroep van Damme met o.a. linken naar de groep in Lissewege. Ook bij het Geheim Leger poogde hij te infiltreren. Nog voor de bevrijding vluchtte hij met zijn minnares naar Maagdenburg waar hij als smid werkzaam was. Bij zijn terugkeer in België werd hij aangehouden en ter dood veroordeeld en op 29 mei 1948 gefusilleerd als laatste West-Vlaamse collaborateur.

Opgesloten

Julien Reychler en heel wat medegevangenen uit zijn verzetsgroep komen in de gevangenis van Brugge terecht, het voormalige ’t Pandreitje. 

Het Gericht OFK 570, Zweigstelle Brugge bepaalt in mei 1944 dat hij en zijn medegevangenen niet in het bezette land veroordeeld kunnen worden, en dus voor berechting naar Duitsland moeten gevoerd worden. Dit was de beruchte “Nacht und Nebel” procedure.

Op 22 mei worden de gevangenen op transport gezet naar de gevangenis van Sint-Gillis (Brussel), om een paar weken later, op 12 juni 1944, naar Duitsland gedeporteerd te worden. 

Tijdens de tocht naar Duitsland, die zeker drie dagen duurt, krijgen de gevangenen enkel wat brood en een stukje bedorven smeerkaas mee. Julien komt na dit transport aan in Gross-Strehlitz, in het huidige Polen. Het is een soort strafgevangenis/Tuchthuis. 

In september 1944 wordt de groep voor het Volkgericht gebracht. De aanklager eist de doodstraf voor de 13 verdachten. Ze worden veroordeeld voor: “zich als lid bij een Partisanengroep ingelijfd te hebben om sabotagehandelingen uit te voeren, bijzonderlijk brandstichting van graan en stro, alsook schade toebrengen aan goederenwagons en machienen. Hij heeft zich aldus aan vijandige begunstiging schuldig gemaakt. Hij heeft zich tegelijkertijd als vrijschutter gedragen en wapens en munitie in bezit gehad om ze ten nadele van de Duitse Wehrmacht te gebruiken”

Julien wordt volgens het verslag ook nog specifiek van volgende verzetsactiviteiten beschuldigd:

“Hij was door Brans aangeworven en kreeg van hem ongeveer elke maand het blad de Partisaan. 0p bevel van Brans nam hij 2 maal deel aan het stichten van brand bij boeren te Dudzele en Lissewege, evenals aan de poging om een overval te doen op het postkantoor te Damme. Bij deze poging

van overval te Damme, had Reychler een revolver bij zich, die hij tevoren van Brans had gekregen! Verder had Reychler vroeger al eens een revolver gekregen, die hij een paar dagen later, in opdracht van hem, aan Stijns doorgaf”

Op 28 september 1944 luidt de beslissing van het gerecht dat ze ter beschikking gesteld worden van de “staatspolizeistelle van Oppeln”, nl. de Gestapo. Hun situatie verandert dus eigenlijk niet, ze blijven gevangen op dezelfde locatie waar ze al sinds juni vastzitten.

Op 30 oktober, een kleine maand later wordt Julien samen met zijn groep overgebracht naar het concentratiekamp Gross-Rosen, ook in het huidige Polen. Dit is een concentratiekamp van de ergste categorie. Julien wordt er geregistreerd met kampnummer 82452.

Gross-Rosen was een zeer groot kamp en stond bekend als een zeer wreed en zwaar concentratiekamp waar veel Joden naartoe gebracht werden, maar ook politieke gevangenen ‘Nacht und Nebel’ zoals onze Lisseweegse verzetsmensen. 

Aantallen bestaan enkel bij benadering. Vermoedelijk hebben er tussen de 125.000 tot 200.000 gevangenen gezeten en worden de slachtoffers geschat tussen de 40.000 en 70.000 doden.

Het behoorde tot de meest gruwelijke kampen. Het sanitair was er minder dan primitief, epidemieën en ziektes waren zeer aanwezig. Honger was er zo groot dat er verschillende gevallen van kannibalisme plaatsvonden. De dwangarbeid was er meedogenloos. Er werd o.a. graniet gewonnen in de grint- en steengroeven. De Joden werden nog slechter behandeld, hadden nog langere werkdagen, geen recht op medische hulp, kregen het zwaarste werk en anderen mochten niet helpen.

Kan het nog meedogenlozer dan elders? Blijkbaar wel want Gross-Rosen had binnen het Duitse concentratiekampen systeem,  net als Mauthausen, een categorie III, de meest ernstige classificatie, naast categorie I en II. 

Daar bleven ze tot februari 1945. De Russische geallieerden naderen en het kamp wordt ontruimd, gevangenen worden geëvacueerd en naar andere kampen gebracht.  Op 8 februari 1945 wordt Julien Reychler nog in Gross-Rosen gezien tijdens de evacuatie van het kamp. Julien wordt opnieuw op transport gezet richting het veel westelijker gelegen concentratiekamp Mittelbau-Dora in de buurt van de stad Nordhausen, in het hart van Duitsland. In Mittelbau-Dora werden o.a. de V1 en V2 gemaakt (de beruchte V-bommen) in erbarmelijke situaties door de dwangarbeiders die, dag en nacht, in de mijngangen opgesloten waren voor de ontginning van anhydrietgesteente. Velen stierven al na een paar weken door de verschrikkelijke leef- en werkomstandigheden. Nu ontstond een enorme overbevolking door de nieuwe toegekomen transporten uit oostelijkere gelegen kampen, waaronder ook Gross-Rosen.

Volgens de eerste bronnen en dit is het verhaal dat ook hier en daar geschreven staat, komt Julien nooit aan in Dora en sterft hij ergens onderweg tijdens dit transport tussen Gross-Rosen en Dora-Mittelbau in februari 1945. 

Tijdens onze recentste opzoekingen blijkt dit echter niet te kloppen. Julien komt wel nog aan in Dora-Mittelbau. Hij wordt er nl. geregistreerd  met kampnummer 116615.

Volgens de documenten van dit kamp verbleef hij ook in de Boelcke-Kazerne en werd hij op 6/03/1945 toegevoegd aan een transport naar Bergen-Belsen. Sindsdien is hij vermist. Hij moet dus ergens overleden zijn na 6 maart 1945 op dit transport. Hij werd niet geregistreerd in Bergen -Belsen waar het transport naar op weg was. Een juiste overlijdensdatum en -locatie kennen we dus niet. Zijn lichaam keerde dus nooit terug naar België. Hij werd 26 jaar.

Postuum ontving Julien Reychler meerdere eretekens voor zijn verzetsactiviteiten.

Hij kreeg erkenning in het statuut van “Politiek Gevangene” en in het statuut van “gewapende weerstander”. Zijn erkenning “sluikpers” krijgt hij echter niet, met als reden dat hij gewerkt had voor de vijandelijke bezetter. In de verhoren die in het dossier te vinden zijn, is er nochtans veel nuance te vinden hierover, de beslissing is echter de niet erkenning in dit laatste statuut.

Onderzoek en tekst: Kristof Van Mierop

Bronnen: 

  • Dossiers Julien Reychler Witte Brigade, Cegesoma Brussel
  • Dossiers Julien Reychler — Documentatie en opzoeking, Sluikpers, Politiek Gevangene – Dienst Oorlogslachtoffers, Rijksarchief Brussel
  • Arolsen Archives online
  • Archief stad Brugge
  • Website VOPGV
  • https://visitlissewege.be/het-verzet-tijdens-wo-ii-lissewege/