Ga naar de inhoud

Vrouwen in het verzet

Regelmatig krijgen we de vraag waarom er heel wat meer mannen dan vrouwen een Struikelsteen krijgen in de Brugse regio. Dat is niet omdat we de bijdrage van vrouwen aan het verzet niet naar waarde schatten, maar heeft met verschillende dingen te maken. We doen hier een poging om een aantal inzichten samen te brengen.

Mensen uit alle geledingen van de maatschappij

Om te beginnen: we streven er met de werkgroep naar om mensen uit verschillende groepen te herdenken, en ons niet te beperken tot één groep. We wilden mensen uit alle delen van de regio herdenken, mannen en vrouwen, rijk en arm, mensen uit verzetsgroepen van alle ideologische en politieke hoeken. Al is die ideologische identiteit van verzetsgroepen rekbaar en een constructie van na de oorlog, toen groepen aansluiting krijgen in groter geheel. We hebben de indruk dat de samenstelling van verzetsgroepen eerder sociologisch was, via circuits van mensen die elkaar kenden en elkaar konden vertrouwen om verzet te plegen. Bewoners van hetzelfde dorp, arbeiders uit dezelfde fabriek, syndicaten of verenigingen van een  bepaalde beroepsgroepen, vriendengroepen, scholen, militairen uit dezelfde eenheden… Ideologie was niet de eerste instap: je zocht contact met mensen die je kende en die ook iets wilden doen tegen de bezetter. Het voorbeeld van de groep in Lissewege is veelzeggend: begonnen als deel van de Partizanen (Onafhankelijkheidsfront), even contact met de Witte Brigade Fidelio en uiteindelijk erkend als deel van het Geheim Leger.

Vijf categorieën verzetslui

Na de oorlog konden mensen die in het verzet stonden in vijf categorieën erkend worden:  gewapend weerstander, verspreider van sluikpers, lid van inlichtingendiensten, burgerlijk verzet en werkweigeraar. We nemen aan dat er meer mannen dan vrouwen erkend zijn en dat daar wellicht enkele objectieve redenen voor zijn: de toen nog vrij algemene achtergestelde positie van vrouwen in de samenleving, het feit dat vrouwen maar voor een korte tijd voor verplichte arbeid konden opgeroepen worden, het feit dat er geen vrouwen in actieve militaire dienst waren.

Vrouwen in de gewapende weerstand

Dat er bij de gewapende weerstanders, die dus met wapens deelnamen aan harde, militaire acties, minder rouwen actief waren, lijkt logisch. De rol van vrouwen in dat deel van het verzet beperkt zich vaak maar niet uitsluitend tot een ondergeschikte dienende rol, bijvoorbeeld als koerier. Toch zijn er in de Brugse regio twee notoire uitzonderingen op die regel: Simone Danneels en Rachel Decoene.

Simone Danneels was de verloofde van Henri Demeyer, die samen met Lucien Vrielynck in de regio een Partizanenkorps stichtte. Die groep bestond uit zowat 150 leden, verspreid over Brugge en de Oostkust. Ze vernielden opgeëiste oogsten op boerderijen in de polderdorpen, lokten stakingen uit in fabrieken en de haven, probeerden installaties te saboteren op Duitse werven of in de Cokes- of de glasfabriek in Lissewege-Zwankendamme. Toen Henri Demeyer in november 1943 werd gearresteerd, nam Simonne Danneels, alias Madame Paula, het regionale commando over. Toen het ook voor haar te gevaarlijk werd, onder meer door de infiltratie van André Vanbeveren in de groep Damme in februari 1944, dook ze onder en ging de leiding over naar Albert Serreyn.

Henri Demeyer, Simone Danneels, Marc Braet

Foto: Henri Demeyer, Simone Danneels en Marc Braet

Ook in het Geheim Leger was een vrouw actief in een leidende rol: Rachel De Coene, die een café uitbatte aan de Baron Ruzettelaan, was groepsleiders van de zogenaamde ‘Groep Houtave’. Die telde wel enkele mannen uit Houtave, maar was in de hele streek actief. De groep was al vroeg actief met het verzamelen van inlichtingen. In het najaar van 1942, toen de Duitsers steeds meer mannen opeisten om in de Duitse oorlogsindustrie te gaan werken, slaagde de groep erin om met hulp van mensen in de magistratuur en advocatuur minstens 28 mannen te laten onderduiken. Ook tijdens de bevrijding was de groep actief, onder meer in Dudzele bij een poging om de bruggen over de afleidingsvaart en de dijken van vernieling door de Duitsers te behoeden en zo de opmars van de Canadezen sneller te laten verlopen. 

Voor deze straffe dames kunnen we helaas geen struikelsteen plaatsen, omdat ze nooit opgepakt zijn door de nazi’s. Simonne Danneels heeft onlangs een straatnaam gekregen.

Inlichtingendiensten

Ook in de inlichtendiensten waren er heel wat vrouwen actief. Zo is er het netwerk “Moujick”, rond de gedropte marconist Guy Stinglhamber en zwemkampioen Jan Guilini. De vrouw van Jan, Aline Cambier, was ook in het netwerk actief, net als Berthe Vansevenant. Samen met de broer van Aline, Albert, ging Berthe in opdracht van de wasserij van haar ouders de was ophalen in het kasteel Ter Linden en gaf haar ogen goed de kost. Beide vrouwen werden opgepakt, gemarteld en overleefden de concentratiekampen. De anderen in de groep werden door de Duitsers geëxecuteerd, de vrouwen ontsnapten daaraan net omdat ze jonge vrouwen waren, waarvan de Duitsers niet konden aannemen dat ze meer waren dan meelopers.

Foto: Berthe Van Sevenant

Ook de rol van Anny Claeys, vrouw van Maurice Royaux, is onderbelicht. Zij stond mee in de leiding van de sector VN/44 van Luc/Marc, het grootste inlichtingennetwerk van België. De Brugse sector strekte zich uit van Breskens tot De Panne en telde in 1944 een veertigtal leden. De inlichten werden samengebracht in een kamertje boven de winkel van mevrouw De Lassus in de Steenstraat. Alle informatie werd er na gelezen, verwerkt en overgetikt zodat de rapporten verder zouden kunnen worden doorgegeven. Dat was telkens een groot werk: het nam één tot twee dagen per week in beslag om alles verzendklaar te maken. In een latere fase beschikte de Brugse sector over een eigen radiozender. Toen leider Maurice Royaux onderdook, nam Anny Claeys de leiding over. Het netwerk werd professioneel geleid en leed maar een beperkt aantal verliezen. Het  slaagde erin om heel wat nuttige info naar Londen te krijgen.

Foto: Anny Claeys en Maurice Royaux

Voor Cambier en Van Sevenant hebben we ondertussen een struikelsteen geplaatst, voor Anny Claeys kunnen we dat niet, omdat ze nooit is gearresteerd. De bijdrage van Maurice Royaux en Anny Claeys mag wat ons betreft op een andere manier herdacht worden.

Burgerlijk verzet

Tot slot is er nog het zogenaamde ‘burgerlijk verzet’. Daaronder valt onder meer het verbergen van onderduikers. Maar er zijn veel vormen van verzet en het onderscheid tussen de ene of de andere vorm is niet altijd zo helder. Neem nu het voorbeeld van de familie Hinoul. Zoon Mathieu Hinoul stichtte op zijn school een verzetsgroep met de ronkende naam de ‘Revolutionaire Volksjeugd’, een soort jongerenafdeling van de Partizanen. Ze schilderden V-tekens op muren, verspreidden vlugschriften. Zijn vader, die rijkswachter was, raakte betrokken bij de ‘Groep Bissegem’ van het Geheim Leger. Ook Mathieu verleende hand-en-spandiensten aan het Geheim Leger, door als koerier op te treden voor Frédéric de Penaranda, die actief was in zowel het Geheim Leger als de inlichtingendienst Zig. Thuis in de August Derrestraat in Assebroek stond een drukpers, waarmee vlugschriften werden gemaakt. Naar verluidt zouden er ook onderduikers en zelfs joden een tijdelijk onderkomen gevonden hebben. In zo’n verzetshaard moet moeder Albertine Pintelon ook een belangrijke rol gespeeld hebben, dat kan nauwelijks anders. Maar bij ons weten is zij niet erkend als verzetsstrijder; het zou eens de moeite lonen om de vele kleine stukjes informatie eens samen te leggen en te kijken wat nu precies wiens rol was…

Foto: Albertine Pintelon

Het verhaal van het Joods Verdedigingscomité kan niet voldoende naar waarde geschat worden. Joden en niet-joden, mannen en vrouwen, werkten er samen, en slaagden erin om naar schatting 3.000 joodse kinderen uit de gaskamers van de nazi’s te houden. Ook in Brugge waren er Joodse kinderen ondergedoken. Via connecties in Brussel kwamen Jacky Borzykowski en Edouard Zimmerman terecht bij de broers en zussen van de familie De Meulemeester in Sint-Kruis. Jacky vond onderdak bij Jean De Meulemeester en Josiane Sigart in de Brieversweg, Eduard Zimmerman bij de ongetrouwde Charles de Meulemeester in de Kastanjelaan, en Gabriel Zimmerman, de oudere broer van Edouard, bij de zussen Madeleine en Marcelle De Meulemeester in Watermaal-Bosvoorde. Daarmee namen zij een groot risico, voor zichzelf en voor hun eigen familie en kinderen.

Aan de andere kant van Brugge, langs de Kolenkaai, ving het echtpaar Marie en Leo Janssens een joods meisje op, Goldine Ehrenfeld. Het hele gezin Ehrenfeld werd opgepakt in Antwerpen en vermoord in de gaskamers. Het jongste kind werd op het laatste nippertje meegegeven met de huishoudster, een zus van Leo Janssens, en in Brugge ondergebracht. De Duitsers gingen achter het kind aan, maar raakten het spoor bijster. Goldine overleefde de oorlog dankzij de familie Janssens.

De rol van vrouwen

Vrouwen speelden dus wel degelijk een bepalende rol in het verzet. Het verzet was een gezamenlijke inspanning van een flink deel van de bevolking, dus ook van vrouwen. Ze deden dat niet altijd in de meest opvallende, militaire rol, ook al zijn er daar uitzonderingen op, zoals Rachel De Coene of Simone Danneels. Maar in bijna elk verzetsverhaal duiken vrouwen op en dat is niet altijd in een dienende rol zoals het de tijdsgeest betaamde. Vaak is hun rol wel niet goed geregistreerd en gedocumenteerd, en daardoor vaak onderbelicht.